DE KERN VAN DE PROBLEMEN IN HET MIDDEN-OOSTEN EN DE WERELD ALS GEHEEL
Het gebeurde in het Midden-Oosten. Een hoge beambte van de regering van het machtigste land ter wereld reisde op en neer tussen enkele landen binnen de invloedssfeer van dat machtige rijk. Hij was van Joodse afkomst, en goed op de hoogte van de stand van zaken in het Midden-Oosten. Hij was ook nogal bezorgd daarover, en in het bijzonder over het land waar hij zelf vandaan kwam: Israël.
Op zekere dag kwam hij samen met andere diplomaten aan bij de rivier Tigris, in het huidige Irak, vroeger Babylonië geheten. Daar gebeurde iets heel onverwachts. Het leek wel alsof er iemand uit een ruimtevaartuig daar plotseling neerdaalde. Het hele gezelschap, op één na, vluchtte hevig verschrikt weg. Daniël echter, of Beltesasar zoals hij in diplomatieke kringen genoemd werd, kreeg de gelegenheid om te spreken met het hemelse wezen dat door God naar de aarde gezonden was. Van deze engel hoorde Daniël een boodschap die hij wèl moest opschrijven, maar ook verborgen moest houden voor later (zie Daniël 12:4,9). Pas veel later, wanneer wat hem nu verteld werd gebeuren zou, mocht het openbaar gemaakt worden voor de latere geslachten.
Het is een boodschap waarin, zoals de engel zegt in 11:2, de waarheid wordt bekendgemaakt. Die waarheid, zo blijkt uit de inhoud van Daniël 11 en 12, is de waarheid aangaande de moeiten in het Midden-Oosten, en de hele wereld. Het gaat over Israël zoals dat omringd was door vijanden, in Daniëls dagen, en ook in de volgende eeuwen. Maar al die gebeurtenissen worden hier bij voorbaat op een zodanige manier weergegeven dat het tegelijk ook een symbolische tekening is van de situatie van de nieuwtestamentische gelovigen, tot aan de laatste dag toe.
Dat wordt duidelijk in Daniël 12:2, waar blijkt dat alles tot een hoogtepunt komt in de wederopstanding van de doden op de dag van Christus' tweede komst, de dag van het laatste oordeel.
We gaan nu de vraag onder ogen zien, waarover Daniël zo bezorgd was, zoals te lezen is in 10:2 en 3. Daniël vertelt ons daar: "In die dagen bracht ik, Daniël, drie volle weken door met rouw bedrijven". Dit waren de eerste drie weken van de eerste maand. Het was in de tijd dat de Joden het Pascha vierden, en gedachten hoe de HEER hen uit Egypte verlost had. Bovendien konden ze daarbij nu ook de bevrijding uit de Babylonische ballingschap gedenken, want nog maar een paar jaar eerder had koning Kores (of Cyrus) de Joden toestemming gegeven terug te keren en de tempel in Jeruzalem te herbouwen.
In plaats dat Daniël feestvierde, vastte en rouwde hij echter. Waarom zou dat geweest zijn? Dat moet toch wel geweest zijn vanwege de situatie waarin Israël zich toen bevond. Daniël moet een reden gehad hebben om zich voor God te verootmoedigen en tot God te bidden, zoals ons in vers 12 verteld wordt. De toenmalige situatie in Israël staat vermeld in andere bijbelboeken, bijvoorbeeld Ezra, en Haggaï. Hoewel de Joden mochten terugkeren was een groot aantal daar gebleven. Dit gebeurde meestal uit zelfzuchtige motieven, uit ongeloof. Ze deden goede zaken in Babel, en het zou nog best lang duren voordat de Messias komen zou; dus waarom zou je je druk maken?
Ook onder degenen die wel waren teruggekeerd, was een groot gebrek aan geloofsmoed. Ze hadden dan ook met veel moeiten te kampen. Er waren constant conflicten met de toenmalige Palestijnen, de Samaritanen en de Arabieren in Palestina. Om die reden waren ze dan ook veel meer geïnteresseerd in de woningbouw en in hun veiligheid dan in de wederopbouw van de tempel. Daniël had in zijn hoge positie daar wel het een en ander van vernomen. Zowel de Samaritanen als de Arabieren kwamen met verzoekschriften aan bij de Perzische regering om een einde te maken aan de stichting van een Joodse staat in Palestina, met Jeruzalem als hoofdstad, en daarin een te herbouwen tempel.
Kortom, de echte moeite lag niet bij de spanningen in het Midden Oosten, en de kans op oorlog met al het bloedvergieten en de economische consequenties. Daniël was bezorgd over het gebrek aan geloof en geloofsmoed bij het volk van God. Hij was bezorgd over de toekomst van de kerk; hij bedreef immers rouw over Israëls zonden die de oorzaak zouden worden van zoveel spanning en oorlog in het Midden Oosten.
Als we nu de betekenis van de boodschap van de engel ook voor ons vandaag beter willen begrijpen, moeten wij ons afvragen wat in onze tijd de echte moeiten zijn, in het Midden-Oosten en in de hele internationale situatie.
Wat het Midden-Oosten betreft worden de moeilijkheden niet in de eerste plaats veroorzaakt door de wens van een aantal Palestijnen en Arabieren om de staat Israël te vernietigen, en de gevaarlijke reactie van Israël daarop. Nee, de echte moeite ligt in het feit dat het moderne Israël alle vertrouwen stelt in haar eigen gelijk en eigen kracht. Velen geloven niet in Jezus Christus, de gekomen Messias, als hun enige Redder. Zowel onder Joden als Palestijnen zijn er christenen, maar hun vrijheid wordt beknot en met hen wordt niet gerekend, niet door Israël en niet door radicaal islamitische bewegingen. De echte moeilijkheden worden veroorzaakt door het feit dat ook de ooit christelijke volken in het Westen zich aan de HEER en zijn wil niet meer storen, maar meer en meer terugzakken in het heidendom.
Waar het werkelijk om gaat in het Midden-Oosten, en overal, vertelt de engel in vers 14, als hij zegt: "Ik ben gekomen om u te verstaan te geven wat uw volk in het laatst der dagen overkomen zal". En hij verzekert dat dit begrepen zal worden door in vers 20 te vragen: "Weet u nu waarom ik tot u gekomen ben?" Voor Daniël betekende dit dat het zou gaan om Israëls toekomst tot de eerste komst van Christus, de periode van de eerste Advent. Het zal een periode worden vol van oorlogen in het Midden Oosten, waarvan de bijzonderheden zijn uitgewerkt in 11:2 20. Het dieptepunt daarin zal zijn de regering van de zogenoemde oudtestamentische antichrist, de Syrisch Macedonische koning Antiochus IV (zie Daniël 11:21 45).
Dat is echter niet het enige. Het gaat tegelijk ook over de periode van de tweede Advent van Christus en over de kerk van het Nieuwe Testament; immers, het wordt in een zodanige vorm verteld dat het tegelijk een beeld geeft van de antichrist die zal optreden voordat Christus terugkomt.
Zo heeft Jezus zelf Daniël 11 uitgelegd in zijn rede over de laatste dingen in Mattheüs 24. Zo past ook de apostel Paulus dit toe in wat hij schrijft over de antichrist in zijn brieven aan de Thessalonicensen. Deze boodschap van de engel betekent dus voor ons dat het vandaag de dag gaat over de situatie van de wereldwijde kerk van Jezus Christus, het nieuwtestamentische Israël. Dan gaan we inzien dat de strijd in het Midden Oosten slechts een onderdeeltje is van een wereldwijd conflict. Het gaat niet om het gegarandeerd veilige bestaan van de staat Israël, maar het gaat om de vrijheid van de kerk om het Evangelie van Christus' koningschap te verkondigen, in Israël, in Islamitische landen, hier in Nederland, en overal.
Het gaat er niet om aan wie Palestina eigenlijk toekomt, de Israëli's of de Palestijnen. Het gaat om de beloofde nieuwe aarde waar Gods gerechtigheid geldt. Het gaat er niet om dat een bepaald volk in dat bepaalde land wonen moet om daar de beloofde Messias voort te brengen. Dat is immers al gebeurd! Elke Kerstfeestviering getuigt daarvan.
Waar het nu dan ook om gaat, is dat mensen over de hele wereld leren uit te zien naar de wederkomst van Jezus Christus als de Koning van het heelal. Het gaat dus om de proclamatie van Zijn koningschap, en de bescherming en vrijheid van de kerk voor die prediking. Dat geldt in het bijzonder wanneer de antichrist verschijnt, in een tijd die in veel opzichten vergelijkbaar zal zijn met die van Israël onder die Syrisch Macedonische koning Antiochus Epiphanes, ruim anderhalve eeuw voor Christus' geboorte.
Dat zullen volgens Daniël 11:31-36 heel moeilijke tijden zijn. Bij wat in vers 34 gezegd wordt, dat de gelovigen 'een kleine hulp' zullen vinden, kunnen we denken aan de strijd van de Maccabeeën in Israëls dagen. In onze moderne tijd zou het kunnen betekenen de kleine hulp die soms gegeven kan worden door militaire interventies, of door hulporganisatie als De Verre Naasten, Woord en Daad, Dorcas, of ZOA. Maar dè troost en hulp van Gabriëls boodschap bestaat uit het feit dat alle tijden in Gods hand zijn. Hij bestuurt ook alle internationale verhoudingen; en als het ondraaglijk worden gaat, zal terwille van Gods uitverkorenen de tijd zelfs worden verkort.
Wie eigenlijk waren toen de strijdende partijen in het Midden-Oosten? Als we al de bijzonderheden in Daniël 11 zouden vergelijken met wat, achteraf gezien, volgens de geschiedenisboeken de eigenlijke oorlogvoerende partijen waren, dan zien we een opmerkelijk verschil. Volgens de seculiere geschiedschrijving ging het niet tussen Israël en de Samaritanen, of Israël tegen Syrië, maar Syrië tegen Egypte, Perzië tegen Griekenland en Macedonië, en Syrië, Macedonië en Griekenland op hun beurt tegen Rome. Zo geeft de seculiere geschiedschrijving de periode weer die in Daniël 11 is beschreven. Israël wordt daarbij niet eens genoemd!
Maar hoe spreekt de engel er hier over? Hij toont aan, bijvoorbeeld in 11:28, dat de koning van Syrië eigenlijk vocht tegen 'het heilig verbond'; en in vers 36 dat hij zich verhief tegen de Almachtige God. De engel heeft ons dan ook in Daniël 10 al verteld wie de eigenlijke partijen zijn. Het is een oorlog tussen God en Satan, en de eigenlijke legers zijn Gods engelen aan de ene kant, en Satans engelen, de demonen, aan de andere kant.
Hier ging het nog om de periode van het Oude Testament. Satan was toen nog niet gebonden zodat hij de volken niet verleiden kan, zoals staat in Openbaring 20. Satan zou gebonden worden wanneer Christus naar de hemel zou terugkeren. Maar daarvoor was Satan nog steeds de overste van deze wereld. Elk heidens land werd toen nog verleid door een duivelse geest die Satan voor ieder volk had aangesteld. Zo horen we in vers 13 over een zodanige Satanische geest, die daar 'de Vorst van het koninkrijk der Perzen' genoemd wordt; en in vers 20 over een duivel die 'de vorst van Griekenland' heet. In Colossensen 2:15 noemt de apostel Paulus hen 'de overheden en machten', en in Efeziërs 6 'de wereldbeheersers van deze duisternis', 'de boze geesten in de hemelse gewesten'. Het zijn de satanische geesten die in de tijd van het Oude Testament de volken regeerden en hun politiek beleid bepaalden.
Er was echter één volk dat niet onder hun heerschappij stond: Israël. Zo lezen we in vers 21 dat de vorst van Israël niet een engel van Satan was, maar de aartsengel Michaël, de Beschermengel van Gods volk. Michaëls taak was om de boze geesten te weerstaan als ze op belangrijke momenten van haar geschiedenis Israël in gevaar zouden brengen. We kunnen in dit verband bijvoorbeeld denken aan Michaëls strijd met Satan over het lichaam van Mozes (zie Judas:9), toen Israël op het punt stond het beloofde land binnen te trekken. Zo is het volgens Daniël 11:1 ook nu weer, bij Israëls terugkeer naar het beloofde land. Het is de engel Michaël die, daarbij geassisteerd door de engel Gabriël, Satan moest verhinderen om de koningen van Medië en Perzië te verleiden. Op deze manier maakte de engel Michaël het mogelijk dat koning Kores (of Cyrus) het bevel uitvaardigde dat Israël naar Kanaän mocht terugkeren.
Zo zien we Michaël ook bezig in vers 13. Toen Gabriël was uitgezonden naar Daniël, de hoge beambte in de Perzische regering die zo bezorgd was over Israël en Gods volk in Jeruzalem, probeerde Satans ambassadeur bij de Perzische overheid Gabriël tegen te houden, zodat hij Daniël niet bereiken kon. Een diplomatieke strijd werd daar uitgevochten, op het hoogste niveau. Het was een oorlog met bovennatuurlijke wapens die daar 21 dagen lang gevoerd werd. De strijd was zo hevig dat Michaël, Israëls beschermengel, Gabriël zelfs helpen moest om zijn tegenstander te overwinnen.
Tenslotte verscheen Gabriël dan toch nog aan Daniël om hem te bemoedigen, in zijn bidden, en in zijn optreden ten bate van zijn volk in Jeruzalem. Hij moest Daniël vertellen van de grote nood die zou ontstaan voor zijn volk, van gedurende honderden jaren voortdurend oorlogsgeweld in het Midden Oosten, waarvan de bijzonderheden volgen in Daniël 11. Tegelijkertijd was het echter ook een troostvolle boodschap. De engel liet immers aan Daniël zien dat de beslissende gevechten niet door de koningen en de volken hier op aarde maar door Gods legers, zijn engelen, en Gods officieren, de aartsengelen, gevochten en gewonnen zouden worden.
De vraag is wie de oorlogspartijen in onze tijd zijn. Als we willen weten wie er werkelijk achter zitten, dan moeten we bedenken dat tijdens de symbolische 'duizend jaren' van de nieuwtestamentische periode (vanaf de Hemelvaart tot dicht aan het einde) Satan gebonden is, "opdat hij de volken niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren". Het is de tijd van de zending onder de volken, tot aan de einden der aarde.
Dit is begonnen toen Christus als de Overwinnaar de hemel binnen ging. Toen vochten volgens Openbaring 12 Michaël en zijn engelen tegen Satan en wierpen hem uit de hemel. Toen Christus stierf aan het kruis, ontwapende hij immers, zo zegt Paulus in Colossensen 2:15, Satans overheden en machten, en triomfeerde Hij over hen.
Toen begon de periode van de kerstening van de volken, en Satan kon niet verhinderen dat het Evangelie overal werd verkondigd en de kerk werd vergaderd tot aan de einden der aarde, en dat zelfs hele volken gekerstend werden.
Wij leven in wat vaak de na christelijke periode wordt genoemd, dichtbij het einde van de duizend jaren. Uit Openbaring 20 weten we dat gedurende een korte tijd voor het einde Satan zal worden losgelaten, om de volken opnieuw te verleiden en achter zich te verenigen.
Toch mogen wij weten dat, als wij bidden zoals Daniël bad, Gods engelen tussenbeide zullen komen. Ze kunnen wel eens voor een korte tijd tegen gehouden worden, zoals toen Daniël gedurende 21 dagen moest smeken en rouw bedrijven in plaats van Pascha vieren, terwijl intussen de Satanische vorst van Perzië de engel Gabriël 21 dagen tegenhield. Ze zullen dat echter niet altijd kunnen volhouden. Jezus Christus en zijn engelen strijden immers voor de kerk, en in Christus zijn ook wij meer dan overwinnaars.
Als we daar aan blijven denken, en dat geloven, en handelen door dat geloof, dan hoeven we echt niet bang te zijn. Dan wordt ons doen of laten niet bepaald door wat er in het Midden Oosten gebeurt, zoals bij zovelen die nog altijd iets bijzonders van en voor de staat Israël verwachten. Ook laten we ons doen en laten dan niet bepalen door onze persoonlijke belangen en zorgen. We laten ons leven leiden door de prediking en de gebeden van de kerk van Christus. En laten we het toch nooit vergeten: de engelen zijn er ook nog!
P.S.
Voor een verdere verklaring van de getallen in Daniël 12, en in het bijzonder 12:12, verwijs ik naar Knoop 13, BIJBELSE GETALLEN.