DICK DE JONG - <B>NIET BEREKENINGEN MAAR GEBEDEN</B>  


DE ONDERGANG VAN HET RIJK VAN BELZASSAR

HET SCHILDERIJ IS UIT DE SCHOOL VAN ANTON KERN
EEN PRAAGS SCHILDER DIE LEEFDE VAN 1710-1747






KNOOP 18

DANI…L 9

NIET BEREKENINGEN MAAR GEBEDEN ZIJN DE SLEUTEL TOT GODS GETALLEN


DaniŽl was als een jonge jongen samen met anderen al in ballingschap gevoerd door Nebukadnessar. Hij had dus bijna zijn hele leven in Babel gewoond zelfs tot nadat Babel gevallen en overgenomen was door de Meden en Perzen. Eens hadden zij een brief van Jeremia gekregen. Die brief staat in Jeremia 29. In de brief stond onder andere: "Zo zegt de HEER, ... als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen ... Dan zult u me aanroepen ... en tot mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult u me zoeken en vinden, wanneer u naar me vraagt met uw ganse hart ... Dan zal Ik me door u laten vinden, en in uw lot een keer brengen" (Jeremia 29:10 e.v.).

In de periode nadat Babel gevallen was en Babylon geregeerd werd door Darius de MediŽr richtte DaniŽl zijn aandacht op wat stond in die brief van Jeremia. Hij dacht na over het aantal jaren dat genoemd werd, het aantal zeventig, dat Jeruzalem in puin zou liggen. Het was nog niet precies zeventig jaar geleden dat Jeremia dit geschreven had. Ook had Jeremia het aantal zeventig al eerder genoemd in (Jeremia 25:12). In 2 Kronieken 36:21 lezen we dat het getal zeventig door de HEER gekozen was in verband met de sabbatsjaren die niet gehouden waren. De HEER had namelijk al in Leviticus 26:34 gedreigd dat, als IsraŽl niet zou luisteren naar het woord van de HEER en daarom in ballingschap gevoerd zou worden, "dan zal het land zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, zolang als het woest ligt en u in het land van uw vijanden bent".

Om die reden bad DaniŽl tot de HEER. Hij beleed zijn zonden en die van zijn volk. DaniŽl was echter nog maar net begonnen met bidden, of de HEER hoorde hem al. Hij stuurde de engel GabriŽl naar DaniŽl met Gods antwoord op zijn gebed. Dat antwoord overtrof alles wat DaniŽl had kunnen denken, maar toch gaf het ook antwoord op waar hij om bad. In dat antwoord beloofde de HEER de vergeving van zonden, waarom DaniŽl had gevraagd. De HEER beloofde daarnaast meer dan alleen verlossing uit de Babylonische gevangenschap. Hij sprak ook over de komst van de beloofde Messias, Jezus Christus. Hij zou door zijn dood aan het kruis de vergeving der zonden tot stand brengen, en eeuwige gerechtigheid. DaniŽl kreeg dus veel informatie uit de profetieŽn van Jeremia. Het ging maar niet om de precieze duur van de ballingschap, maar om het belijden van en vechten tegen de zonde. De rust die dan volgt, die sabbatsrust, wordt door het getal zeventig gesymboliseerd. Daar gaat het om.

DaniŽl deed daarom niet wat veel christenen in onze tijd graag doen. Hij zette niet allerlei berekeningen op om uit te vinden op welke datum bepaalde profetieŽn precies vervuld worden. DaniŽl verootmoedigde zich voor de HEER en beleed zijn eigen zonden en die van zijn volk. Tegelijk leren wij hier uit hoe we moeten omgaan met al die symbolische getallen in onze tekst, zoals de zeventig weken, of meer letterlijk de zeventig zeventallen, die ook weer in drieŽn verdeeld zijn: een eerste periode van zeven zeventallen, dan een van 62 zeventallen, en een derde van ťťn zevental.

We moeten er geen rekensommetje van gaan maken. De bedoeling is dat God de volmaakte sabbatsrust gaat brengen in de verzoening van onze zonden door Jezus Christus. Daarover gaat het in vers 24. Er zijn zeventig zeventallen bepaald - dat is een volheid van tijd - om de oorzaak weg te nemen van wat DaniŽls volk is overkomen. De zeventig jaren, en ook de tijd die daarop volgen gaat, moeten een tijd van voorbereiding zijn. Het moet de Adventstijd vol maken; het moet uitlopen op de 'volheid des tijds', zoals de apostel Paulus in zijn Galatenbrief de tijd van Christus' geboorte noemt. Als die tijd tot zijn volheid gekomen is, zullen er volgens vers 24 twee series met elk drie handelingen plaats vinden. In de eerste plaats zal 'de overtreding voleindigd' worden, 'de zonde worden afgesloten', en 'de ongerechtigheid verzoend'. Deze drie uitdrukkingen zeggen eigenlijk precies hetzelfde. Ze geven al weer wat Jezus zei toen Hij stierf aan het kruis, namelijk: HET IS VOLBRACHT!

Daaruit zullen dan weer drie dingen voortvloeien. Hij die op die manier sterft voor de verzoening van onze zonden, zal daardoor 'eeuwige gerechtigheid brengen'. Hij zal ook 'gezicht en profeet bezegelen', dat is: Hij zal de visioenen en profetieŽn van het Oude Testament vervullen, doordat ze in Hem bewaarheid worden. Tenslotte zal Hij 'iets allerheiligst zalven'. Daarmee wordt bedoeld dat Hij een vernieuwde eredienst zal instellen onder een nieuw priesterschap, namelijk de verkondiging door de christelijke kerk van de verzoening door het bloed van haar eeuwige Hogepriester, Jezus Christus.

DaniŽl bad om vergeving van zijn zonden en die van IsraŽl met de belijdenis dat hij en zijn volk het niet verdienden. Dan geeft God hem waarom hij gevraagd heeft, maar het is nog veel rijker dan DaniŽl op dat moment zelf beseffen kon: verzoening van hun zonden door de dood van de komende Hogepriester Jezus Christus aan het kruis en de eeuwige gerechtigheid van God zoals Hij die in Christus geven zal. DaniŽl had er ook om gebeden dat God zich over zijn heiligdom in Jeruzalem ontfermen zou; en als Gods antwoord daarop ontving hij de belofte dat de tempeldienst van het Oude Testament vervuld zou worden, en uitmonden in de erediensten van de kerk van het Nieuwe Testament.

De vraag is wanneer dit dan zal gebeuren. Alles zal werkelijkheid worden, zo lezen we in vers 24, wanneer de volheid van de tijd zal zijn aangebroken, na zeventig zeventallen. Er gaat echter ook wat gebeuren in DaniŽls eigen tijd. Uit de verklaring van de engel GabriŽl in vers 25 blijkt dat DaniŽl moet weten en verstaan dat de gebeurtenissen in zijn tijd alleen maar zin hebben vanwege de dingen waarnaar ze vooruit wijzen. In dat licht moet hij zien wat er in zijn eigen tijd gebeuren gaat.

In vers 25 staat het volgende: "vanaf het ogenblik, dat het woord uitging (namelijk via de profeet Jeremia) om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen, tot op een gezalfde, een vorst (die dat woord zal uitvoeren), zijn zeven zeventallen". Die gezalfde, die vorst, daarvan had Jesaja al geprofeteerd, in Jesaja 45. Dat is koning Kores (of Cyrus), die inderdaad kort nadat DaniŽl dit visioen ontving, bevel voor de terugkeer en wederopbouw gegeven heeft. Ook nu geldt weer dat het aantal niet zo belangrijk is. Het zal in elk geval niet lang meer duren voordat de terugkeer naar Kanašn en Jeruzalem kan plaatsvinden; want dat zal gebeuren aan het einde van de eerste periode van zeven zeventallen; en daar is het grootste deel al van voorbij. IsraŽl zal inderdaad spoedig terugkeren naar Kanašn, en Jeruzalem zal voor een lange tijd herbouwd en hersteld blijven bestaan, met plein en gracht; in zijn geheel dus, volledig.

Nadat we gezien hebben wat de betekenis van Gods antwoord op DaniŽls gebed was voor DaniŽls eigen tijd komen we nu tot de betekenis daarvan voor IsraŽl in de 2e periode, die van 62 zeventallen. Gedurende een zeer lange tijd, 62 zeventallen lang, zullen ze in het beloofde land kunnen wonen, tot aan de komst van de Messias, de Christus. Maar het zullen wel zware tijden zijn, met veel verdrukking.

Deze boodschap zal voor veel Joden in DaniŽls tijd weinig betekenis gehad hebben. Uit andere bijbelboeken weten we dat ze niet eens zo erg geÔnteresseerd waren in terugkeer naar Kanašn om Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Ze zouden daardoor die boodschap niet eens begrepen hebben, en er trouwens ook geen belang bij getoond hebben .

Nu behoort ook DaniŽl 9 tot het Hebreeuwse gedeelte dat volgens 8:26 verborgen moest worden gehouden voor later. Het zou pas gepubliceerd worden als het nodig was, wanneer God zelf het daarvoor de tijd zou vinden. Het werd inderdaad pas gepubliceerd tegen het einde van die tweede periode van de 62 zeventallen, toen Jeruzalem en de tempel al lang weer opgebouwd waren, maar de omstandigheden wel heel moeilijk geworden waren. Dit was de periode van de MaccabeeŽn. Het was een tijd waarin traditionalisme en eigengerechtigheid hoogtij vierden. Ook volgden veel mensen de heidense Griekse religieuze ideeŽn en praktijken. Als Gods oordeel daarover zou er een vreselijke terreur losbarsten van de kant van de oudtestamentische antichrist Antiochus Epiphanes IV. Daaronder zouden echter ook de Joden moeten lijden die erkenden dat alles hun overkwam vanwege hun zonden.

Die gelovigen zouden door Gods genade in staat zijn om DaniŽls gebed te verstaan, en het alsnog mee te bidden. Zij zouden ook troost kunnen putten uit deze boodschap van verzoening en gerechtigheid die uiteindelijk verwerkelijkt zou worden als de Messias kwam. Tegelijk zou deze boodschap echter ook een ernstige waarschuwing zijn voor de anderen. Misschien zouden zij dan alsnog vragen om vergeving van hun zonden en net als DaniŽl Gods gerechtigheid zoeken, in plaats van te steunen op hun eigen gerechtigheid. Want zo niet, dan zou ook op hen de waarschuwing van toepassing zijn die we lezen in de verzen 26 en 27. Als de tijd vol zal zijn, zal een andere buitenlandse macht, "het volk van een vorst die komen zal", waarmee de Romeinen met hun keizer bedoeld worden , alsnog de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde zal dan voor hen net zo zijn als dat van de mensen die omkwamen in de grote overstroming van de Zondvloed, waarbij alleen de rechtvaardige Noach en zijn gezin gered werden.

De tempel met de offeranden zal dan ophouden Gods heiligdom te zijn; want vanwege de verwerping van Christus is die stenen tempel in Jeruzalem tot een 'vleugel van gruwelen' geworden in Gods ogen, die Hij daarom door de Romeinen zou laten verwoesten.

Er was van de eerste tempel geprofeteerd (zie bijv. Jeremia 4:27; 5:10,18; 30:11; 46:28) dat die niet voorgoed verwoest zou worden. Het tweede deel van vers 27 meldt echter dat deze tempel verwoest zal blijven "tot aan de voleinding toe". God komt daar niet meer op terug; de tempel zal nooit meer herbouwd worden. Dit is dus de betekenis van de boodschap voor het Joodse volk in de laatste eeuwen van het Oude Testament (maar ook voor orthodoxe joden vandaag, en voor hen die zich Christenen voor IsraŽl noemen): de tempel met de offers daar zal voorgoed worden afgeschaft, en ook Jeruzalem zal dan geen bijzondere plaats meer innemen, het zal nooit meer 'de heilige stad' zijn.

Tenslotte zien we wat Gods antwoord op DaniŽls gebed betekent voor de gelovigen in de tijd van het Nieuwe Testament - in de derde periode, die van het laatste zevental. De hele Adventsperiode van zeventig zeventallen loopt volgens de laatste woorden van vers 24 immers uit op de "zalving van iets allerheiligst". Daarmee wordt de opdracht tot de prediking van Jezus Christus bedoeld; Jezus als degene die de verzoening van onze zonden en onze gerechtigheid voor God heeft bewerkt. Daarmee is dan echter ook de bestaansreden voor IsraŽl als een aparte natie met een tempel in Jeruzalem opgeheven.

En hoe is dat gebeurd? We lezen in vers 26 dat na de 62 zeventallen "een Gezalfde zal worden uitgeroeid", letterlijk: worden afgesneden. We kunnen hierbij denken aan Jesaja 53:8, waar van de Knecht des HEREN geprofeteerd wordt dat "Hij is afgesneden uit het land der levenden", hoewel "Hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest". Datzelfde lezen we ook hier, dat hij wordt uitgeroeid, 'afgesneden', "terwijl er niets tegen Hem is".

Jezus Christus is de enige Gezalfde van wie dit gezegd kan worden. Hij is dan ook degene die volgens vers 27 "het Verbond voor velen (niet zwaar, maar) 'sterk' gemaakt heeft, het 'bevestigd' heeft, toen Hij uitriep aan het kruis: HET IS VOLBRACHT; en die zo stierf voor de velen die de Vader Hem gegeven had. Hij heeft de volledige en volmaakte rust verkregen voor allen die hun toevlucht zoeken in zijn bloed.

Zo heeft Hij alle sabbatten voor ons vervuld. Niet alleen de sabbatsjaren die IsraŽl had verwaarloosd, maar de sabbatsrust van God die we verbroken hebben toen Adam en Eva die braken in het Paradijs. Het begon met zijn geboorte in Bethlehem, aan het begin van dat laatste zevental. Het werd volbracht halverwege dat zevental, op de Goede Vrijdag, toen het gordijn van de tempel doormidden scheurde, waarmee Hij het slachtoffer en het spijsoffer deed ophouden en de tempeldienst vervulde. En het wordt nog steeds gepredikt gedurende de tweede helft van dat laatste zevental, de tijdsperiode waarin wij vandaag leven en waarin wij de eeuwige sabbat al mogen beginnen.


 

 

 
 

 



Title of your page