DICK DE JONG - <B>DANIËL 8: OVER HET HEER DES HEMELS</B>  


KOEPEL MET GOD DE HEILIGE GEEST
OMRINGD DOOR LEGERSCHAREN VAN ENGELEN

DE ONTWERPER IS GIOVANNI BATTISTA DELLA ROVERE
CALLED IL FIAMMENGHINO MILAN 1561 - AFTER 1627




KNOOP 17

DANIËL 8

OVER HET HEER DES HEMELS


Het boek Daniël bevat een historisch en een profetisch of apocalyptisch deel. Het laatste deel bevat veel moeilijkheden. Aan één daarvan wil ik hier extra aandacht geven. Het is Daniël 8:9 12, waarbij ook Hebreeën 2:16 betrokken wordt. Dit is wel een heel ingewikkelde knoop, maar zeker voer voor theologische geïnteresseerden. Zonder nadere aanduiding wordt de Vertaling 1951 van het NBG gevolgd.


1. DANIËL 8:9 12

Wat wordt in vers 10 bedoeld met het heer des hemels (NBV, "de hemelmachten") en de sterren daarvan die op aarde vallen en vertrapt worden door de kleine hoorn uit vers 9? Uiteraard denken we aan de sterrenhemel. Die sterren moeten echter symbolisch staan voor een andere werkelijkheid, omdat met de kleine hoorn een koning (Antiochus Epiphanes IV) wordt aangeduid en hij een deel van de sterren ter aarde doet vallen en vertrapt worden.

Nu wordt er een verklaring van de verzen 9 12 gegeven in de verzen 24 en 25. De vorst van het sterrenheer is volgens vers 25b de Vorst der vorsten, God de HEER. Betekent dit dat de sterren staan voor 'vorsten' in de zin van andere koningen die door Antiochus Epiphanes aangevallen worden? Dat is een van de opvattingen. Maar waarom worden de koningen van de volken hier als het heer des hemels Zo ver ik weet is daar geen voorbeeld van in de Bijbel. 1)

Wel worden in de Bijbel de engelen meermalen aangeduid als 'sterren'. Ook wordt met de Heer der legerscharen (de HEER Zebaoth) vaak de Heer der engelen bedoeld. Dezelfde uitdrukking (HEER Zebaoth, Heer der legerscharen) wordt ook wel gebruikt voor de legerscharen van Israël. Alleen maar, ook die zullen toch niet worden aangeduid als het heer des hemels. Er wordt daarvoor wel verwezen naar vers 24b: het heer des hemels zou bestaan uit het daar genoemde "volk der heiligen". Nu wordt dat 'volk der heiligen' daar genoemd na de "machtigen" die Antiochus Epiphanes verderven zal.

Als we er van mogen uitgaan dat de dingen die genoemd zijn in de verzen 9 12 in de verzen 24 en 25 verklaard worden in dezelfde volgorde, dan correspondeert het woord "machtigen" in vers 24b met hen die volgens vers 9b aangevallen worden in "het Zuiden" en "het Oosten". Het in vers 24b daarop volgende "volk der heiligen" correspondeert dan met wat in vers 9b "het Sieraad" genoemd wordt, dat is het land Kanaän.

Het vertrappen van een deel der sterren in vers 10 staat dan parallel met wat we lezen in vers 25a (ik kom daar nog op terug); en het in vers 11a vermelde zich groot maken "tegen de vorst van het heer" staat duidelijk parallel met het in vers 25b genoemde optreden "tegen de Vorst der vorsten". Als we de andere genoemde mogelijkheden (letterlijke sterren; aardse koningen; de legerscharen van Israël of 'het volk der heiligen') afwijzen, zullen we bij heer des hemels voorlopig dus aan engelen moeten denken. 2)


Maar daarmee zijn we er nog niet. Immers, hoe moeten we ons dat voorstellen, dat die Syrische koning een deel van de engelen op aarde laat vallen en ze daar vertrapt? In Openbaring 12:4 wordt van Satan gezegd dat hij zoiets deed (behalve het vertrappen); maar die was zelf een engel, en niet een mens.

We gaan er dus voorlopig van uit dat het sterrenheer symbolisch staat voor engelen. Maar aangezien die koning niet letterlijk engelen op aarde heeft kunnen laten vallen en vertrappen, kan de vraag gesteld worden: staan die als sterren aangeduide engelen misschien ook weer symbolisch voor iets anders?

Tot die vraag kom ik door de gegeven verklaring van de verzen 9b 12 in de verzen 24b en 25. We zagen al enkele parallellen. Laten we nu dan eens kijken naar de parallel die ik zojuist oversloeg en op terug zou komen, over het heer des hemels, en over de Vorst van dat heer; dus vergelijken we nu de verzen 10 12 met vers 25. Vers 25a spreekt over de sluwheid van de koning "waarmee hij het bedrog dat hij aanwendt (zal) doen gelukken; hij zal zich in zijn hart verheffen en onverhoeds velen verderven". Dat gedeelte moet dan corresponderen met wat in vers 10 beschreven is als: "zijn grootheid reikte tot aan het heer des hemels, en hij deed er van het heer, namelijk van de sterren, ter aarde vallen, en vertrapte ze".

Wat is dan het in vers 25a genoemde bedrog? En hoe verheft hij zichzelf, en verderft hij velen? Als we inderdaad op de goede weg zijn, dan staat dat bedrog en die zelfverheffing in vers 25a gelijk aan wat we lezen in vers 11b, namelijk dat aan God "werd het dagelijks offer ontnomen, en zijn heilige woning werd neergeworpen", en aan wat volgt in vers 12, dat "een eredienst werd in overtreding ingesteld tegenover het dagelijks offer". En dit alles kort samengevat als "de waarheid ter aarde werpen". Met name dit "hij wierp de waarheid ter aarde" correspondeert duidelijk met "het bedrog doen gelukken" in vers 25a. Maar het herinnert ook aan het eerder in vers 10b gezegde dat "hij deed er van de sterren ter aarde vallen".

Met dit 'sterren of engelen ter aarde werpen en vertrappen' zou dus hetzelfde bedoeld kunnen zijn als "de waarheid ter aarde werpen" en "vertrappen" (namelijk de waarheid van het dagelijks offer, van de oud-testamentische eredienst). Alleen maar: hoe verklaren we deze gelijkstelling van 'engelen' met het brengen van het dagelijks offer in de tempel, de oud testamentische eredienst? Nu moet ik even ingaan op de vertaling van vers 12. Het eerste woord in het Hebreeuws is 'tsaba', hetzelfde woord dat voorkomt in vers 10 en daar met 'heer' vertaald is. Sommigen vertalen het hier in vers 12 als 'militaire dienst' en laten het dan slaan op het 'leger' van Antiochus Epiphanes Dit is niet onmogelijk, maar toch niet waarschijnlijk (zie Korte Verklaring Aalders, p.164). Anderen vertalen het met krijgsdienst, dienst, of zelfs 'eredienst', bijv. 'de dienst der Levieten' (zie Numeri 4:3 waar 'tsaba' die betekenis heeft).

Eredienst lijkt, ook gezien het verband, toch wel de terecht gekozen vertaling te zijn. Maar als het woord 'tsaba' hier met eredienst vertaald kan worden, kan het dat dan misschien ook twee verzen eerder betekenen? Opmerkelijk is wat ik las bij Keil & Delitzsch, dat Grotius het daar (in vers 10) vertaalde met "Levieten".

Zou dat 'heer des hemels' in vers 10 misschien op een of andere manier te maken hebben met de 'Levietische eredienst'? Immers, die eredienst is van hemelse, Goddelijke oorsprong. En daartegenover heeft Antiochus Epiphanes nu een aardse, afgodische eredienst ingesteld, nadat hij die Levietische eredienst met zijn offeranden in de tempel heeft afgeschaft en vertrapt.

Maar is dat niet wat ver gezocht, de 'tsaba des hemels', die toch uit sterren respectievelijk engelen bestaat, te beschouwen als symbolisch voor de 'aardse dienst van Levieten', in de tempel op aarde? Bij het overwegen van dit alles herinnerde ik me dat ik eens (als student in 1958) een scriptie heb gemaakt over Hebreeën 1 en 2, waarin ik me bezig hield met een dergelijke vraag, namelijk: wat wordt er bedoeld met de uitdrukking in Hebreeën 2:16: "Want over de engelen ontfermt Hij zich niet"?


2. HEBREEËN 2:16

Twee vragen kunnen hier gesteld worden: wie of wat wordt bedoeld met 'de engelen' en waarom ontfermt Hij (dat is onze Heer Jezus Christus) zich niet over de engelen?

Ik zal eerst een kort overzicht van de hele brief geven.

Het thema van deze brief is het verschil in Gods openbaring tussen de oude en de nieuwe bedeling (1:1). In vers 4 wordt het onderscheid getoond in het feit dat Christus vanwege zijn priesterlijk verzoeningswerk "zoveel machtiger geworden is dan de engelen", die (vers 14) slechts "dienende geesten" zijn. Waarin is dat in de oudtestamentische bedeling gebleken? Dat zegt 2:2: toen werd "het woord door bemiddeling van engelen gesproken". Daarmee wordt de oudtestamentische bedeling gekarakteriseerd als 'engelendienst'.

Jezus Christus' verzoeningswerk is daar ver boven verheven (volgens 1:4 2:4) vanwege zijn Godheid als Gods Zoon en (volgens 2:5 15) vanwege zijn mensheid: zoon des mensen.

In 2:16 18 wordt op grond van het voorgaande geconcludeerd dat Hij daarom de Hogepriester van Gods volk kan zijn.

De 'engelendienst' waarmee de oude bedeling is te karakteriseren wordt in het vervolg van de brief onderverdeeld in drieën: in 3:1 19 naar de dienst van Mozes; in 4:1 13 naar de dienst van Jozua en in 4:14 5:10 naar de dienst van Aäron. Na een 'toepassing' in 5:11 6:20 wordt de bijzondere positie van Christus als Hogepriester in de hoofdstukken 7 t/m 10:18 belicht vanuit het verschil tussen het Levitische priesterschap "waaronder het volk de wet ontvangen heeft" (7:11, waarbij enerzijds te denken is aan 2:2 dat dit door bemiddeling van engelen gebeurd was) en anderzijds:

1. het 'eeuwigdurende' priesterschap naar Melchisedek (7:11 28);
2. het verhevener priesterschap in het hemelse heiligdom (8:1 9:10), met;
3. het betere offer, zijn eigen bloed (9:11 10:18).

Kort samengevat kunnen we het zo formuleren: de 'engelendienst' waardoor de Levitische 'eredienst' naar de wet werd ingesteld is vervangen door de nieuwtestamentische 'eredienst' door het geloof in Christus.

En inderdaad, zo wordt de nieuwtestamentische eredienst dan ook gekarakteriseerd in het slot van de brief (10:19 einde; zie bijv. 10:22,38,39; 11; 12:2; en de door dat geloof gekenmerkte 'eredienst' als beschreven in 12:18vv).

Nu we in dit overzicht van de hele brief gezien hebben dat de nieuwtestamentische eredienst van geloof in Christus gesteld is tegenover de oudtestamentische eredienst als een door engelen ingestelde Levitische eredienst naar de wet (in het kort: 'engelendienst'), keren we terug naar 2:16 en het directe tekstverband daar.

'Zich ontfermen over' in 2:16 is de vertaling van 'epilambanetai'. Net als bijna alle verklaarders ga ik er van uit dat Christus het subject hiervan is. 'Epilambanetai' werd vroeger veelal vertaald door 'aannemen' (zie de Statenvertaling) en dan opgevat als zou het aanduiden 'een bepaalde natuur aannemen'. Dan zou echter een verleden tijd verwacht worden. Bovendien zou dat niet alleen op engelen maar ook op dieren van toepassing zijn.

Anderen verklaren 'engelen' hier als 'afgevallen engelen' die Christus niet aanneemt of waarover Hij zich niet ontfermt. Maar nergens in de context wordt over de val van de engelen gesproken. De tegenstelling is dan bovendien niet zuiver: tegenover afgevallen engelen zou je afgevallen mensen verwachten en niet de beperktere kring van Abrahams zaad. Tenslotte: welke functie zou dat hebben in het betoog, waarvan hier, ook krachtens het Griekse woordje 'depou', de climax verwacht mag worden?

Weer andere verklaarders zwijgen over de moeilijkheid in dit vers en zeggen niets over die engelen, of (zie de Korte Verklaring van Grosheide) verklaren het noemen van de engelen hieruit, dat "zij hem (de schrijver) nog niet uit de gedachte zijn".

Jos Keulers maakt in zijn 1954 commentaar deze belangwekkende opmerking: "Abrahams zaad staat niet in tegenstelling tot de overige mensen, maar tot de engelen". Keulers vervolgt: "Ook volgens de andere brieven is 'Abraham en zijn zaad' de technische term voor al diegenen die erfgenamen zijn van Abrahams beloften".

Hier komen we verder mee: we moeten uitgaan van wat bekend is in de gemaakte tegenstelling: Abrahams zaad. Wie zijn dat? Volgens het tekstverband zijn het de mensen aan wie alles onderworpen is (2:5 8) en voor wie Jezus de dood overwonnen heeft (2:9). Ze worden achtereenvolgens nader bepaald:

in vers 9: ieder mens
in vers 10: vele zonen
in vers 11: broeders
in vers 12: gemeente
in vers 13: de gegeven kinderen
in vers 14+15: de bevrijde kinderen
in vers 16: Abrahams zaad

Wie is Abraham? Hij is de vader der gelovigen. We zouden de uitdrukking 'Abrahams zaad' dan ook zo kunnen omschrijven: "Zij die leven uit het geloof in de aan Abraham beloofde erfenis, die door Christus' priesterlijk werk aan hen geschonken wordt". Over dit 'zaad van Abraham' wordt gezegd dat Christus het 'epilambanetai'. Nu komt de uitdrukking 'spermatos Abraam epilambanetai' voor in de LXX vertaling van Jesaja 41:8,9: ".. zaad van Abraham, mijn geliefde, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde, .. geroepen, .. uitverkoren, .. en niet versmaad".

Op grond hiervan zouden we 'epilambanetai' kunnen omschrijven als: "de liefdevolle daad Gods tot verlossing van zijn volk op grond van zijn verkiezend welbehagen". In het kort: 'verlossen'. In de context van Jesaja 41 gaat het er om dat Gods volk op de HEER zal vertrouwen in tegenstelling tot hen die hun vertrouwen op de afgoden stellen.

De tegenstelling is daar: De tegenstelling is daar:

God i.t.t. de afgoden
geloof i.t.t. ongeloof

Daar gaat het in Hebreeën 2:13 (geciteerd uit Jesaja 8:17,18) ook over:

vertrouwen op de HEER i.t.t. vertrouwen op waarzeggerij.

Dit zijn allemaal zuivere tegenstellingen. Hoe nu in 2:16? Daar is de tegenstelling:

Abrahams zaad i.t.t. engelen

Als engelen hier betekent de hemelse troongeesten, dan zou een zuivere tegenstelling zijn: de mensen. Gevallen engelen zou moeten staan tegenover gevallen mensen. Een minder onzuivere tegenstelling zou zijn de door Keulers afgewezen tegenstelling:

Abrahams zaad i.t.t. de overige mensen

Toch is ook deze tegenstelling niet geheel zuiver. Abrahams zaad bleek immers nader gekwalificeerd te zijn. Een zuivere tegenstelling tot bovenstaande kwalificatie van Abrahams zaad zou zo luiden: "Zij die niet leven uit het geloof in de aan Abraham beloofde erfenis, die door Christus' priesterlijk werk aan hen geschonken wordt".

Deze negatieve omschrijving luidt positief: "Zij die leven uit het vertrouwen op de door engelen gegeven wet, die door Aäron respectievelijk Levi uitgevoerd wordt".

En dit is de tegenstelling die inderdaad de hele Hebreeënbrief beheerst, zoals we gezien hebben. Een paar voorbeelden:

engelenwoord i.t.t. de verkondiging door de Heer (2:2,3)
Aäron/Levi i.t.t. Christus (5:1vv)

in 10:39 uitlopend op

nalatigheid (die ten verderve leidt) i.t.t. geloof (dat de ziel behoudt)

De boven gegeven nogal uitgebreide beschrijvingen kunnen ook zo worden weergegeven:

Engelen i.t.t. Abrahams zaad

zij die vertrouwen op de zij die vertrouwen op de

d.m.v. engelen aan Mozes rechtstreeks aan Abraham gegeven wet; i.t.t. gegeven belofte;

wie vertrouwen op 'engelendienst' i.t.t. wie vertrouwen op de verzoenings- dienst van Christus

Of, kortweg,

WET i.t.t. GELOOF

De tegenstelling is dus precies dezelfde als bij Paulus in de Galatenbrief, die met name in Galaten 3 schrijft over die tegenstelling tussen Abrahams zaad en, 3:19, "de wet die er bijgevoegd is, totdat het zaad zou komen waarop de belofte sloeg, en zij is op last van God door engelen in de hand van een middelaar gegeven" (zie ook Handelingen 7:53 en Deuteronomium 33:2).

We zouden dan Hebreeën 2:16 als volgt kunnen parafraseren:

"Want Hij ontfermt zich niet over 'wie op de door middel van engelen gegeven wet vertrouwen', maar Hij ontfermt zich over het zaad van Abraham, over hen die op Christus vertrouwen".


3. CONNECTIE tussen HEBREEËN 2:16 en DANIËL 8:9 12

In Daniël 8 bleek 'het heer des hemels' de engelen aan te duiden als symbolisch voor de Levitische eredienst. Het is dus niet zo vreemd dat ook de schrijver van de Hebreeënbrief in 2:16 het woord 'engelen' gebruikt als symbolisch voor de Levitische eredienst.
In beide Schriftgedeelten gaat het er om een tegenstelling aan te duiden.

In Daniël 8 is de tegenstelling: Levitische eredienst, de afgodische eredienst,
gesymboliseerd door 'engelen' i.t.t. ingesteld door Antiochus Epiphanes
In Hebreeën 2 is de tegenstelling:

Levitische eredienst, de nieuwtestamentische
gesymboliseerd door engelen i.t.t. eredienst, ingesteld door Christus
Met de komst van Christus is het in stand houden van de Levitische eredienst in principe gelijk geworden aan de afgodische heidense eredienst.

Vandaar de ernst in de waarschuwing waarop de Hebreeën brief uitloopt in Hebreeën 12:25:
"Ziet dan toe, dat u Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen (d.m.v. engelen), hoeveel te meer wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen spreekt" (door zijn Zoon).

NOTEN

1) Er wordt wel verwezen naar Jesaja 14 en 24. In Jesaja 14:12 14 wordt de koning van Babel met de morgenster vergeleken, maar de 'sterren Gods' waarover hij wil regeren zijn de 'goden' op 'de berg der samenkomst', en niet de koningen van andere volken. En in Jesaja 24:21 wordt het hemelse heer onderscheiden van de koningen der aarde.

2) Ten gunste van denken aan 'engelen' spreekt ook wat we lezen in 1 Koningen22:19, waar de profeet Micha met 'het heer des hemels' duidelijk de 'geesten' voor Gods troon aanduidt.


 

 

 
 

 



Title of your page