| KNOOP 12 J E F T A | |
| delend in het lijden van Christus (Rechters 11, vergelijk Kolossenzen 1:24) | |
| -o- | |
| 1. Jefta’s excommunicatie | |
| Er was in Israël een tuchtgeval geweest. Een zekere Jefta was door zijn vader Gilead verwekt bij een vrouw waarmee hij niet getrouwd was. Dat was indertijd weer goedgekomen. Gilead heeft die jongen als zijn eigen wettige zoon aangenomen. Toen die jongen groot geworden was joegen zijn broers, die van nature wettige kinderen waren, Jefta weg uit de familiegemeenschap. Maar dat hield in die tijd tegelijk ook in een wegjagen uit de kerkgemeenschap. Want zelfs de oudsten van Gilead hadden daar, zo blijkt uit het vervolg, aan meegedaan. Zo wordt hij, hoewel hijzelf uiteraard aan de manier van zijn geboorte niets heeft kunnen doen, gedwongen te vluchten, om samen met andere zwervers een vrijbuiterbestaan te gaan leiden. Hem overkomt wat later ook met David gebeurde, toen koning Saul hem het leven in Israël onmogelijk had gemaakt. Maar, net als bij David, heeft onze HEER in dit alles ook Jefta reeds doen delen in het lijden van Christus, over wiens geboorte ook met verachting werd en wordt gesproken, en die ook door zijn eigen volk werd uitgeworpen. | |
| 2. Jefta’s ambtsaanvaarding Jefta’s excommunicatie vond plaats in dezelfde tijd dat de afval van het volk Israël tot een dieptepunt gekomen was. Zeven soorten afgoden werden er gediend, een volheid dus. Daarom gaf God hen over in de macht van de Ammonieten. Maar toen de Israëlieten zich verootmoedigden toonde de HEER zich weer een barmhartige God, met als gevolg dat de Israëlieten weer moed grepen. Tegenover het machtige leger van Ammon gaan nu ook zij hun leger mobiliseren. Maar nu moeten ze ook nog een aanvoerder vinden. En dan maakt God dat ze zich herinneren hoe slecht ze Jefta hebben behandeld, en dat ze daar berouw over hebben. De HEER heeft die verkeerde manier van tucht uitoefenen uiteindelijk gebruikt tot heil van zijn volk. Want dat is precies wat hier gebeurt. Jefta was immers verbannen door Israël. Zo werd hij als het ware gedwongen met een bende vrijbuiters van het zwaard te gaan leven. Maar juist daardoor kreeg Jefta een militaire training die hem geschikt maakte om als bevelhebber tegen de Ammonieten op te treden. En dus gaan de oudsten van Gilead naar Jefta toe en zeggen tot hem: Komaan, Jefta, kom terug, en wees de bevelhebber van ons leger in de strijd tegen de Ammonieten. Maar dan herinnert Jefta hen aan zijn uitwerping uit de gemeenschap door hen. En terecht. Dat is nog een onbeleden zonde, een kwaad dat nog niet is hersteld. Maar dan is het antwoord van de oudsten, dat ze hem beloven ook na de strijd voortaan hun leider te mogen zijn. Jefta aanvaardt zijn aanstelling en verloochent zich zelf door hun de tegen hem begane zonde te vergeven. Onder ede aanvaardt hij zijn nieuwe positie “voor het aangezicht van de HEER”. En die uitdrukking, “voor het aangezicht van de HEER”, betekent dat hij het deed met één of meer priesters of Levieten als getuige; bij hen dus die de dienst van de verzoening met God verrichtten. Daarin mogen we de komende Hogepriester Christus zelf aan het werk zien, die komt om zijn volk hun zonden te vergeven door het offer van zijn bloed. Net als Jefta werd ook Christus beschouwd als iemand die op verdachte wijze geboren was. En ook Hij werd door de kerkelijke ban getroffen, en niet alleen geëxcommuniceerd uit de kerk, maar uit de hele mensheid. En toen ook nog door God zelf verlaten! Maar ook Hij is daarna door God verhoogd. Aan Hem is de Naam boven alle namen gegeven. Hij is de overste van alle aardse vorsten geworden, het Hoofd van zijn kerk, door wie de Vader alles regeert. | |
| 3. Jefta’s spreken van Gods Woord | |
| In Jefta’s spreken van Gods Woord kunnen we de stijl van Christus herkennen. In de verzen 12-27 worden ons de eerste officiële activiteiten van Jefta verteld. We zouden verwachten dat Jefta zich direct aan het hoofd van het leger stellen zou om de in Gilead binnengedrongen Ammonieten te verjagen. Maar dat is niet wat Jefta doet. Hij gaat door middel van gezanten met de vijand aan de conferentietafel zitten. Maar is dat niet een bewijs van zwakte? Toen Gideon als Rechter was aangesteld viel hij direct, zonder voorafgaande vredesonderhandelingen, de Mideanieten aan die Israël waren binnengedrongen. Jefta echter stuurt gezanten naar de koning van Ammon met de vraag: Wat is er aan de hand? Wat bezielt u om mij op mijn eigen grondgebied aan te vallen? Uit dit optreden van Jefta blijkt, dat hij maar niet te werk gaat naar zijn eigen, natuurlijke rechtsgevoel, maar dat hij ook in deze politieke kwestie alleen maar handelen wil in overeenstemming met het Woord van God. Er is namelijk een groot verschil tussen of Israël met Mideanieten te doen heeft, dan wel met Ammonieten. Die Mideanieten hadden indertijd Balak geholpen om Bileam zo ver te krijgen dat hij Israël vervloeken zou, om zo hun intocht in het beloofde land te verhinderen. Maar wat vertelt de Bijbel ons over de Ammonieten? We lezen in Deuteronomium 2:9 en 19, hoe de HEER indertijd de Israëlieten er aan herinnerde dat zowel de Ammonieten als de Moabieten afstammen van de zonen van Lot, Abrahams neef. Daarmee wees de HEER er op, dat deze volken broedervolken van Israël zijn, tegen wie zij heel anders moeten optreden dan bijv. tegen de Mideanieten. Ze mochten de Ammonieten en Moabieten niet bestrijden, hen niet uit hun land verjagen, want, zo zei de HEER, Ik zelf heb hun het land dat zij nu bewonen tot een erfelijke bezitting gegeven. Daarom gaat Jefta onderhandelen, zelfs terwijl die Ammonieten al agressie hebben gepleegd. In Jefta’s van begin af aan willen handelen naar Gods Woord zien we Gods verlossingswerk door deze Rechter. Door niet terug te slaan maar eerst te vragen: waarom hebt u ons aangevallen vertoont Jefta de stijl van de Christus die komen gaat, die toen Hij geslagen werd niet terug sloeg, maar vroeg: als Ik verkeerd gedaan heb, zeg het dan, en zo nee, waarom slaat u Mij? Want dat deed Jefta hier. Hij maakte van die conferentietafel geen gezellig onderonsje, hij demonstreerde daar geen schijneenheid, en hij begon niet met bij voorbaat te capituleren en de zaaksgerechtigheid van de kerk discutabel te stellen. Nee, Jefta stelt onmiddellijk de vraag aan de orde welke rechtsgrond de koning van Ammon kan aanvoeren voor zijn militaire optreden tegen Israël. Die koning antwoordt dan met de beschuldiging dat Israël indertijd, bij de intocht, land van de Amrnonieten zou hebben afgenomen. En nu eist hij dat land dus van Israël terug. Goedschiks, en anders kwaadschiks. Wanneer de gezanten van Jefta met die boodschap bij hem terugkomen, stuurt hij opnieuw gezanten naar Ammon. Jefta toont zich hier in heel zijn optreden een knappe staatsman, die als politicus tegelijk Evangeliebelijder is. Hij begint met het weerleggen van de beschuldiging dat Israël land van Ammon heeft afgenomen. En dan gaat Jefta dat bewijzen uit het Woord van God. Uit de boeken van Mozes, het Evangelie van Israëls verlossing. Daarmee belijdt Jefta dat ook in politieke zaken het tenslotte gaat om het Evangelie van de verlossing van Gods kerk. Wat Ammon hier doet is maar niet alleen een poging om tot gebiedsuitbreiding te komen. In werkelijkheid is het een aanslag op het verlossingswerk dat de HEER gedaan heeft in de uittocht en intocht van Zijn volk. Wat Ammon hier doet is ten diepste een tegenstaan van de verlossende komst van Jezus Christus in dat land Kanaän, dat de HEER met het oog op Christus’ komst aan Israël gegeven heeft. Dat is dus het eerste waarop Jefta zich beroept: Gods verlossingswerk. Maar dan is er nog een tweede, dat Jefta vervolgens naar voren brengt: het internationale recht. Jefta beroept zich hier op het internationale recht van die tijd, dat een land wettig toebehoort aan dat volk, wiens godheid hun dat land gegeven heeft. Dat werd algemeen erkend en daar hield men zich in de regel ook aan. Alleen maar, nu lijkt het er op dat Jefta daarmee Kamos als God zou erkennen en hem op één lijn zou stellen met de HEER. Vandaar dat bijv. een Gereformeerde verklaarder in een commentaar (de Korte Verklaring) daarvan zegt: "een profeet zou het heel anders gezegd hebben, maar Jefta spreekt hier niet als profeet, maar als politiek onderhandelaar”. Maar dat is toch echt een verkeerde tegenstelling! Want nergens leert de bijbel ons dat wij geen rekening hebben te houden met het internationale recht. Integendeel, telkens weer zien we in de Bijbel dat God zelf uitgaat van de bestaande rechtsverhoudingen, en dat het Woord van God het bestaande recht niet afbreekt, maar corrigeert. En dat zien we hier in het spreken van Jefta. En dan eindigt deze politieke rede van Jefta met deze machtige geloofsbelijdenis: laat de HEER, de hoogste Rechter, vandaag rechtspreken tussen de Israëlieten en de Ammonieten. De HEER, de God van het Verbond, is Rechter. En wie is die God? Hij is de God die Israël heeft uitgeleid uit Egypte en hen in Kanaän heeft gebracht. Hij is de God die ook het internationale recht dienstbaar maakt aan het komen van de volkomen Verlosser van zijn kerk, Jezus Christus, die alle volken aan Zich onderwerpen zal. En tenslotte zal Hij komen op de wolken als de Rechter van de hele wereld. In volkomen zelfverloochening wijst Jefta hier af van zichzelf omdat ook hij niet meer is dan een instrument in het verlossingswerk dat God in Christus heeft volbracht. | |
| 4. Jefta’s toewijding aan de HEER | |
| De Geest van de HEER kwam over Jefta om de Ammonieten te bestrijden (vers 29). En toen deed Jefta een gelofte. Als de strijd met de overwinning bekroond wordt zal hij een offer brengen dat de HEER volkomen zal toebehoren. Jefta laat de keus van het offer aan de HEER over. Maar wel geeft hij te kennen dat de HEER beschikken kan over het liefste dat Jefta bezit. Wie na de overwinning uit Jefta's huis hem tegemoet komt, zal hij als een offer aan de HEER opdragen. Nu weten wij uit het vervolg dat Jefta1s dochter, zijn enig kind, hem na de overwinning tegemoet kwam met tamboerijnen en reidansen. Maar Jefta? Kon hij verwachten dat het zijn eigen dochter zou zijn die hij als een offer aan de HEER moest opdragen? Zo wordt het vaak opgevat. Jefta wist dat natuurlijk niet, en dus heeft hij in onbedachtzaamheid deze belofte gedaan. Maar is dat echt wel zo? Wist Jefta werkelijk niet wat hij deed? Natuurlijk wist hij die nog maar net door de Geest gegrepen was wat hij deed. Het was helemaal niets bijzonders dat zijn dochter hem bij zijn behouden terugkomst van de strijd tegemoet zou komen. Integendeel, dat was te verwachten, want dat was de gewoonte in Israël. En dat wist Jefta heel goed. Je leest daarover al in de boeken van Mozes, en uit de voorgaande geschiedenis weten we dat Jefta heel goed op de hoogte was van de inhoud van Mozes’ geschriften. Welnu, in Exodus 15:20 lezen we dat Mirjam precies hetzelfde deed. En als we ook even kijken in 1 Samuel 18, enige tijd ná Jefta, dan blijkt dat die gewoonte nog altijd was blijven bestaan. We zien het ook gebeuren bij Saul en David. Het is duidelijk dat toen Jefta zijn belofte deed hij zich moet hebben gerealiseerd dat, als hij de overwinning behaald zou hebben, het mogelijk zijn eigen dochter zou kunnen zijn die hem zingend en dansend tegemoet zou komen. Daarom blijkt uit deze belofte Jefta’s totale toewijding aan de HEER. Zo dankbaar zal hij zijn als de HEER hem de overwinning geeft, dat hij zelfs zijn enige kind, een meisje nog, volkomen wil afstaan aan de HEER. Maar wat betekent dat dan, dat hij haar geheel aan de HEER geven wil? Het betekent dat Jefta, als de HEER dat van hem vragen zal, volkomen afziet van in zijn nageslacht te mogen voortleven in Israël op een eigen erfdeel tot de komst van de grote Rechter en Verlosser, de beloofde Messias, Jezus Christus. Diezelfde Jefta, aan wie eerst zijn erfdeel in Israël was ontzegd, maar die daarna zelfs een ereplaats in Israël gekregen heeft, is nu bereid dat alles helemaal aan de HEER terug te geven. Wat een wonder van God! Maar dan is het wel volstrekt uitgesloten dat Jefta hier bedoeld zou hebben zijn dochter te slachten op een brandofferaltaar. Zou hij, die de wet van de HEER zo goed kent, niet weten hoe de HEER daarvan gruwt? Zou hij met zo'n gruwelijke belofte hebben durven hopen op de overwinning? Zou zo’n gruwelijke zonde kunnen worden bedreven zonder vermelding van enig afkeurend woord? (vergelijk 2 Koningen 3:27) Zou hij werkelijk zoiets afschuwelijks bedoeld kunnen hebben, terwijl nog maar net de Geest van de HEER hem gegrepen had? Daar komt dan nog bij dat het hier met brandoffer vertaalde woord letterlijk betekent: dat wat geheel en al opstijgt tot de HEER, zodat daarom heus niet aan een letterlijk brandoffer behoeft te worden gedacht. 1) Wat Jefta hier belooft aan de HEER is echt Bijbels, Schriftuurlijk. Het is wat de apostel Paulus zegt in Romeinen 12: “Daarom vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u”. Jefta belooft dit niet uit natuurlijke aandrang, zonder er goed bij na te denken, alsof hij niet eens weet wat hij zegt. Het gaat integendeel tegen zijn vlees en bloed in. Hij belooft dit door de Heilige Geest van Christus, die in Hem werkt, die hem immers zojuist gegrepen heeft. En daarin profeteert de Geest in Jefta van het lijden dat over Christus komen zal, wanneer Hij zich volkomen toewijdt aan Zijn Vader. Als Jefta nu ziet en beseft dat hij staat voor de inlossing van zijn belofte, dan huivert hij daarvoor terug. Maar mogen we hier spreken van een eigenlijk willen terugkomen op wat hij in onbedachtzaamheid gesproken zou hebben? Maar dat is toch juist wat het dienaar van Christus zijn mee brengt? Smart, eenzaamheid en verdriet, in het zich hier vreemdeling weten, in het moeten loslaten van veel, soms van alles wat tot dit leven behoort? We doen beter als we, in plaats van het hoofd te schudden over Jefta, hier het lijden van Christus zelf al in Jefta een aanvang zien nemen. Het begon al in Jefta’s leven, het lijden dat Christus in Getsemane de druppels bloed uitperste, toen Hij zelf stond voor het offer van zijn leven en er voor terug deinsde. Toen was Jezus dodelijk bedroefd en smeekte Hij, tot drie maal toe: Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan, zodat Ik mijzelf niet hoef te offeren aan het kruis. Maar onze Heer Jezus zei ook: laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals U het wilt. Het is dan ook door de kracht van de Geest van Christus dat hier ook Jefta zegt: ik heb de HEER een belofte gedaan, en daar kan ik niet op terugkomen. Ja, en toen heeft God het door zijn hulp toch mogelijk gemaakt. Er kwamen engelen uit de hemel bij Jezus in Getsemane om Hem te ondersteunen. Tot Jefta komt zijn dochter en zij zegt: vader, u hebt de HEER een belofte gedaan; nu moet u maar met mij doen zoals u hebt beloofd. Wel vraagt zij twee maanden uitstel om in het gebergte, in het gezelschap van haar vriendinnen, er over te treuren dat ze nooit iemand vrouw zou kunnen zijn. Ze vraagt dat dus niet om het verlies van haar leven te betreuren, maar omdat ze altijd maagd zal blijven. En dat is heel wat anders. Als ze dan na die twee maanden terugkomt, brengt Jefta zijn belofte ten uitvoer. De tekst zegt daar niet meer van, dan dat zij nooit met een man geslapen heeft, dat zij dus inderdaad ongetrouwd is gebleven en nooit kinderen heeft gekregen. Dat was dan ook precies wat Jefta’s belofte inhield. Op deze manier zou hij haar volledig wijden aan de dienst van de HEER: geen huwelijk, geen nageslacht. Totaal geen nakomelingen in Jefta’s huis om zijn persoonlijk erfdeel in Israël voort te zetten. Wat er precies met dit meisje gebeurd is weten we niet. Dit zegt de tekst ons wel, dat sindsdien het in Israël de gewoonte was dat de jonge meisjes elk jaar vier dagen lang deze dochter van Jefta gingen bezingen. Zie de NBG-vertaling-1951. Niet rouwklagen over haar, maar haar bezingen. 2) De vertaling met rouwklagen is gebaseerd op de verkeerde veronderstelling dat ze inderdaad zou zijn gedood. Maar dat staat er niet. Er staat niet: rouwklagen, maar lofprijzen. Zo is in Israël de herinnering aan het verlossingswerk van de HEER door middel van Jefta bewaard. Hun tijdelijk erfdeel in Kanaän hebben zij prijsgegeven, opdat hun Geestelijk nageslacht met hen de door God beloofde nieuwe aarde erven zou. | |
| NOTEN 1) Wat bovendien bevestigt dat hier niet aan een letterlijk brandoffer moet worden gedacht is het feit dat meer letterlijk vertaald de belofte van Jefta zo luidde: wat mij tegemoet komt zal de HEER toebehoren, of (en dus niet ‘en’ maar ‘of ’) ik zal het als een compleet offer brengen. Zo bijv. al in de Kanttekeningen van de Statenvertaling. Het Hebreeuwse woord voor ‘en’ moet volgens Dr B J E van Noort met ‘of’ vertaald worden als het om een opsomming van mogelijkheden gaat. Zie Gen.26:11, Ex, 21:17, Jer. 44:28. | |
| 2) “Het werkwoord letannot betekent eigenlijk (vgl. 5,11) “verheerlijken”; daarom verkiest Klostermann … te lezen le’annot, “om in twee koren een klaaggezang uit te voeren”. Zo Dr J. de Fraine S.J. in RECHTERS, J.J.Romen & Zonen - Uitgevers, 1955 | |
| N.B Bovenstaande is een samenvatting van 4 uit een serie van 6 preken, die aangevraagd en verkregen kunnen worden via e-mail: dickdjon@solcon.nl. |
|
|