DICK DE JONG - <B>STREKKING VAN HOOGLIED</B>  


Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies. (6:2,3)



Dit schilderij is van de Italiaanse impressionist Angelo Barabino, die leefde van 1883-1950.
Het draagt de mooi klinkende naam FIORI SELVATICI.
Dat betekent WILDE BLOEMEN.
Een jongeman bestrooit het gezicht van zijn geliefde met wilde bloemen.




DE STREKKING VAN HET HOOGLIED



Dit onderwerp is een vervolg op het vorige. Daarom volgt hier als aanknopingspunt een deel van de samenvatting waarmee de vorige knoop eindigde.

De structuur van het Hooglied,
sleutel tot het verstaan van de inhoud.

Het Hooglied bevat drie bijna gelijkluidende refreinen, elk aan het slot van een onderdeel. Daarmee is het Hooglied verdeeld in de volgende drie delen:
A, 1:1 - 2:7; B, 2:8 - 3:5; C, 3:6 - 8:4.

De daaropvolgende toevoeging kan ook weer in drie stukken verdeeld worden, en het opmerkelijke is dat die drie samenvattende en concluderende delen corresponderen met de drie hoofddelen A en B en C. We noemen
'c', 8:5-7; 'b', 8:8-10; 'a', 8:11-12

Nu correspondeert A met 'a', B met 'b', en C met 'c', oftewel Aa, Bb, en Cc.
Dit komt overeen met de inhoud (zie knoop 9).
Tot zover deze samenvatting.

DE STREKKING

'c', 'b', 'a'

Om de strekking van het Hooglied te vinden beginnen we met de drie verklarende onderdelen waarmee het Hooglied eindigt.

In 'c' (8:5-7) wordt gesproken over de oneindige kracht of de oorsprong van die liefde: Jahweh, de God van het Verbond (sjalhebet'jah=overtreffende trap?). Het is een liefde die zij beleeft in bewuste aansluiting bij zijn familie (zijn moeder, 8:5b). Dus, de oorsprong en de kracht van de hier bezongen liefde is Jahweh, het doel is de HEER te dienen in een wettig huwelijk, en het heeft plaats binnen de geslachten van IsraŽl, Gods volk.

In 'b'(8:8-10) wordt gesproken over de overgave in liefde. Dat gebeurt niet zomaar aan de eerste de beste, maar pas aan hem die in echte liefde ook bij haar de echte liefde heeft gewekt. Hier horen we van de broers van de bruid. Toen ze nog een jong meisje was beschermden zij haar tegen oppervlakkige verliefdheden).

In 'a' (8:11-12) wordt gesproken over de overvloedige heerlijkheid van deze liefde tussen bruid en bruidegom, vergeleken bij de rijkdom en heerlijkheid van koning Salomo. Hier belijdt de bruidegom dat hun huwelijk (gesloten in de kring van Gods verbond) zelfs de koninklijke heerlijkheid van Salomo ver overtreft.

Deze vergelijking kan worden toegepast op elk christelijk huwelijk, en zo heeft de apostel Paulus het bijv. uitgewerkt in EfeziŽrs 5:25-32, waar hij laat zien dat zo'n huwelijk zelfs de relatie tussen Christus (de meerdere van Salomo!) en zijn gemeente weerspiegelt. Salomo's heerlijkheid is maar een schaduw van de heerlijkheid van Christus.

Als samenvatting van de gegevens in 'c' en 'b' en 'a' kan gezegd worden dat het daarin gaat over de echte, door de HEER gewerkte en door zijn kinderen wettig beleefde huwelijksliefde tussen man en vrouw, die een weerspiegeling is van de relatie tussen Christus en zijn kerk.

Nu gaan we dat vergelijken met de drie hoofddelen, 'A' , 'B' en 'C' , waarin die liefde bezongen wordt. Maar eerst:

Het refrein (2:7, 3:5, 8:4)

Ieder deel eindigt met een refrein dat het thema van het Hooglied weergeeft. Daarin worden de dochters van Jeruzalem, meisjes van de kerk dus, bezworen de liefde niet op te wekken voordat zij het wil (dat is, voordat het echte liefde is). Niet alleen maar verliefdheid, maar echte liefde, die haar oorsprong vindt in de HEER, en haar doel in de Verbondsgemeenschap. De bruid kan haar vriendinnen, de meisjes van Jeruzalem, daartoe opwekken, met haar eigen liefdesrelatie als voorbeeld.

Vergelijking van de delen A, B, C met de toegevoegde delen c, b, a

In 'A' vergelijkt de bruid zichzelf met een onverzorgde wijngaard. In 'a' vergelijkt de bruidegom zijn bruid met de pracht of heerlijkheid van Salomo's wijngaard.

Terwijl in 'A' de bruid haar gebrek aan schoonheid betreurt, wordt zij in 'a' door de bruidegom geroemd omdat ze Salomo's pracht of heerlijkheid overtreft.

In 'A' vertelt de bruid dat zij een bewaakster van wijngaarden is, maar haar klacht is dat ze haar eigen wijngaard niet heeft bewaakt (namelijk zichzelf niet tegen de brandende zon kon beschermen). In 'a' zegt de bruidegom, dat anderen voor loon de wijngaarden van Salomo bewaken, maar dat zij, die eerst ook echte wijngaarden bewaken moest, nu zijn wijngaard geworden is die hij, voor niets, helemaal voor zichzelf houden en verzorgen mag.

De conclusie mag zijn, dat we in 'a' de vervulling zien van het onder 'A' gestelde. Salomo is ondanks al zijn pracht niet zo rijk als deze jongeman met zijn bruid. Meer dan Salomo is er al te zien in dit gelovige stel. Elk gelovig (christelijk) huwelijk dat de relatie tussen Christus en zijn kerk zichtbaar maakt overtreft de schaduwachtige heerlijkheid van koning Salomo.

Het in 'A' vertelde vindt plaats vůůr de huwelijkssluiting. We kunnen ons voorstellen dat met de in 1:4 genoemde kamers van de koning kamers bij de feestzaal bedoeld zijn. De bruid bevindt zich bij haar vriendinnen (of bruidsmeisjes; misschien zijn die, al pratend met haar, bezig haar te kleden en haar kapsel te verzorgen voor de komende plechtigheid). Dan brengt haar bruidegom (die, zoals wel meer gebeurde in een bruiloftsspel als koning figureert) haar een andere kamer bij de feestzaal binnen. Daar ontspint zich een gesprek tussen de beide geliefden (1:7 - 2:6). In 2:7, het 1e refrein, richt ze zich dan weer tot haar vriendinnen, de meisjes van Jeruzalem.

In 'B' wordt bezongen hoe de liefdesovergave waar 'b' van spreekt heeft plaats gehad; en ook, hoe de bedoeling van de broers om haar zuiver te bewaren tot vervulling is gekomen.

Uit 2:14 blijkt dat ze inderdaad een muur was, en dat haar borsten als torens waren. Immers, ze houdt zich voor de op haar verliefd geworden jongen die haar met zich mee wil lokken verscholen als een duif in de rotskloof. De aanleiding daarvoor is dat haar broers haar ter bescherming in hun wijngaarden lieten werken. De zorg van de broers blijkt uit vers 15: Aan het werk, roepen ze, "Vang voor ons de vossen . . . " want "" ze vernielen de wijngaard". Dat gaat ze dan doen, maar ze roept de jongen toe om 's avonds terug te komen (2:16-17, NBG-1951-vertaling: " . . . . Tot de avondwind waait . . . . wend u dan hierheen . . . . ").

Kennelijk is hij die avond niet gekomen, en zo wordt in 3:1-4 verteld hoe ze, hetzij in een droom of in werkelijkheid, hem gaat zoeken, en niet rust voordat ze hem in het huis van haar moeder heeft gebracht. Dit kan namelijk vergeleken worden met een verloving tot een huwelijk.

De strekking van 'b' is, dat de broers ijveren voor de onderhouding van het 7e gebod (bijv.: geen seks vůůr het huwelijk.

Ook dit B-gedeelte wordt weer besloten met de waarschuwing aan het adres van haar vriendinnen in het 2e refrein (3:5).

De huwelijkssluiting

In 'C' wordt van de inmiddels er bij gekomen meisjes van Sion (hier dus anderen dan de vriendinnen of bruidsmeisjes), aandacht gevraagd voor de aankomst van het bruidspaar. Ook hier speelt de bruidegom een koningsrol, alsof hij Salomo is, en hun rijtuig een Koninklijke draagkoets (3:6-11). Ze gaan op weg naar de huwelijkssluiting, en dat correspondeert met 'c' (8:5a).

In 4:1-15 lezen we onderweg door de bruidegom gesproken woorden tot zijn bruid. Dit gedeelte is (zie met name vers 8, 'mijn bruid, ga met me mee') een weergave van de officiŽle vraag aan de bruid om met hem te trouwen. Het is de vraag die voortvloeit uit haar eerste liefdesverklaring, waarop 'c' (8:5b) doelt (waar het mee begon).

Zij geeft dan haar jawoord in 4:16 met de woorden, " . . . mijn lief moet in zijn hof komen, laat hij daar zijn zoete vruchten proeven". Dit correspondeert met haar woorden in 'c', "Draag mij als een zegel op je hart . . . " (8:6a). Daarop neemt hij haar ten huwelijk door in 5:1 te zeggen: "Hier ben ik in mijn hof, zusje, bruid van mij . . . . ". In 'c' bezingt de bruid dan de kracht of vastheid van deze verbintenis als zijnde van Goddelijke oorsprong (8:6b-7).


Het bruiloftsmaal, voordrachten (toneelstukjes) en dans

Na de huwelijkssluiting volgt de uitnodiging tot het bruiloftsmaal (5:1b). Wat verder volgt (in 5:2-6:3) zouden we ons zo kunnen voorstellen dat aan en na het bruiloftsmaal en gedurende de bruiloftsweek er wordt gezongen en gedanst. De bruid, of iemand anders, vertelt bijv. in een voordracht of toneelstukje wat haar, in werkelijkheid of in een droom, is overkomen in haar verlovingstijd. Dat leek niet zo mooi, maar de liefde van de bruidegom overwon alles, zo blijkt uit 6:2-3.

Dit is voor de bruidegom een aanleiding om haar schoonheid te prijzen of te bezingen (6:4-9). Dan, in 6:11, bevestigt hij haar woorden uit vers 2, waarop zij antwoordt in vers 12 (ik kies hier vanwege het verband ťťn van de mogelijke vertalingen, zie Korte Verklaring van Dr. G CH Aalders): "Zonder dat ik het wist had mijn ziel (dat betekent: had ik) me op de wagen van een edele uit mijn volk geplaatst". Waarschijnlijk wordt zij verrast met een rijtoer en samen met de bruidegom, op een vorstelijke wagen, rondgereden door de gasten als de koning en de koningin van de bruilofsweek.

In 7:1-6 (6:13-7:5 in NBG-1951-vertaling) volgt een bruiloftsdans, waarmee de beschrijving van de bruiloft wordt besloten, waarna in 7:7-14 het begin van hun huwelijksleven (misschien wel de huwelijksnacht) in een tweegesprek tussen bruid en bruidegom wordt uitgebeeld.

Met dit begin van hun huwelijksleven (de huwelijksnacht) eindigt deel 'C', en de toevoeging 'c' sluit bij dat begin ook aan. Zo is de overgang van het laatste hoofddeel 'C' naar het eerste toegevoegde deel 'c' (8:5-7) heel natuurlijk en toont het een direct verband tussen die beide. *)

*) Het besluit van 'C', de verzen 1-3 van hoofdstuk 8, is in het raam van de door mij voorgestelde structuur van het Hooglied het moeilijkst te verklaren. Het komt me als niet onmogelijk voor dat de bruid, nu haar verlangen naar haar geliefde in de sluiting van hun huwelijk vervuld is, in deze verzen nog even herinnert aan hoe het begonnen is. Of, een andere mogelijkheid, dat deze verzen verdwaald zijn en oorspronkelijk horen tussen 2:15 en 2:16.

DE PLAATS VAN HET HOOGLIED IN DE HEILSGESCHIEDENIS


Spreuken, Prediker en Hooglied behoren tot de wijsheidsliteratuur uit de tijd van Salomo, en zijn voor een groot deel ook door hem geschreven.

De geschiedenis van IsraŽl als Gods volk is begonnen met de periode vanaf de Uittocht tot het koningschap van David. Het is geŽindigd met de periode die resulteerde in de Ballingschap tot en met de verwerping van de gekomen Messias.

In het midden van die heilsgeschiedenis is de periode van Salomo, de Vredevorst.

Zowel in de tijd van de Rechters als die van de Koningen liet IsraŽl zich sterk beÔnvloeden en zelfs meeslepen door de perverse praktijken van de heidense volken rondom hen waarmee ze hun Bašls en Astartes (seks-goden) dienden.

In Salomo's vrederijk was het echter mogelijk dit, ook wat het seksuele aspect van de liefde betreft, onbekommerde Hooglied te schrijven en er (bijv. bij bruiloften) van te genieten. Zo had God de verhouding tussen man en vrouw, seksualiteit en huwelijk, immers in het begin, in Genesis, bedoeld.



 

 

 
 

 



Title of your page