Dit schilderij is van de Italiaanse schilder Angelo Morbelli. Hij leefde van 1853-1919. Het heet 'IL SOGNO', wat 'DE DROOM' betekent. En is het ook niet zo dat je denkt te dromen, als je vervuld bent van liefde?
DE STRUCTUUR VAN HET HOOGLIED
DE STRUCTUUR VAN HET HOOGLIED
Inleiding
In de 19e-eeuwse commentaar van de bekende Keil und Delitzsch is dit het moeilijkste boek van het Oude Testament om uit te leggen. Volgens een meer recente commentaar (1988) van de Gereformeerde Drs. H M Ohmann is een bevredigende indeling van dit boek welhaast onmogelijk. Hij ziet wel een lijn, maar erkent dat ook zijn indeling onduidelijk en onbevredigend is. En de Gereformeerde Dr. Jochem Douma schrijft in zijn commentaar uit het jaar 2000: "Alleen op geforceerde wijze kan men van Hooglied een 'verhaal van begin tot eind' maken, waarom hij het boek opvat als een bundel liefdesliederen.
Toch zijn er heel veel pogingen gedaan om tot een bevredigende uitleg te komen. Er was eens een Franse geleerde die zijn uitleg de titel meegaf: La Quantique des Quantiques enfin expliquéé, eindelijk verklaard. Maar ook daarna bleven de verschillende pogingen tot verklaring elkaar opvolgen.
Mijn aanpak dank ik aan mijn leraar Nederlands toen ik leerde voor het Staatsexamen Gymnasium, begin jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij leerde zijn studenten om voor het verstaan van poëzie zorgvuldig aandacht te schenken aan de structuur van een gedicht.
Kenmerkend voor Hebreeuwse poëzie zijn parallellisme en kruisstelling (of chiasma). Toen ik in mijn eerste gemeente te Middelstum in 1961 preken en lezingen over het Hooglied voorbereidde ging ik de kenmerken van de Hebreeuwse poëzie vergelijken met de structuur van ballades en in het bijzonder van sonnetten.
Bij (Italiaanse) sonnetten bevatten de eerste twee coupletten van 4 regels een stelling of verhaal, en de volgende twee coupletten van 3 regels de oplossing of strekking. Soms tonen de eerste 4 regels een connectie met de laatste 3 regels, en de tweede 4 regels met de eerste 3 regels (een kruisstelling dus).
Dit paste ik toe op het Hooglied om de structuur daarvan te ontdekken. Ik beschouwde het Hooglied zoals het zich aandient, als één lied (en dus niet als een verzameling liederen): Lied der Liederen betekent 'het mooiste lied'. Van Dr. K. Schilder had ik al geleerd dat het de liefde bezingt tussen een herdersjongen en een werkster in de wijngaarden, en dus niet moet worden vergeestelijkt of als een allegorie behandeld.
De structuur
Het drie keer voorkomende keervers of refrein in de hoofdstukken 2 : 7, 3 : 5, en 8 : 4 wordt door de meeste uitleggers gezien als een aanwijzing voor een driedeling in het Hooglied.
Het moet echter niet blijven bij een formele indeling in drieën, maar deze driedeling moet ook bij de uitleg van het Hooglied in rekening worden gebracht. En dat gebeurt m.i. in veel gevallen of te weinig, of te willekeurig. Vandaar dat ik begin met de vraag te stellen of misschien het Hooglied zelf ons de weg kan wijzen om de betekenis van de geconstateerde driedeling te verstaan.
In hoofdstuk 8 : 5-14 vinden we een toevoeging aan de drie onderdelen van het Hooglied. We gaan er van uit dat die toevoeging op de een of andere manier in harmonisch verband staat met de voorgaande drie delen, net zoals dat het geval is bij onze (Italiaanse) sonnetten.
Nu is het opmerkelijk dat ook die toevoeging uit drie delen bestaat, gevolgd door een finale in 8 : 13-14.
De vraag lis nu dus of er ook werkelijk verband is tussen de driedeling in het hoofddeel, en de driedeling in de toevoeging. En inderdaad, dat verband is aanwijsbaar aanwezig.
Zo keert bijv. in 8 : 12 een uitdrukking voor de bruid terug die zij ook al gebruikte in het begin, in 1 : 6, de woorden "mijn eigen wijngaard". Daaruit kan geconcludeerd worden dat er een logisch verband is tussen die twee delen: hoofddeel 'A' (hoofdstuk 1 t/m 2 : 7) correspondeert met toevoeging 'a' (hoofdstuk 8 : 11-12).
Dit leidt tot de volgende overweging, dat er wellicht ook een speciaal verband is tussen hoofddeel 'B' (hoofdstuk 2 : 8 - 3 : 5) en toevoeging 'b' (hoofdstuk 8 : 8-10). En dan nemen we uiteraard nu ook zo'n verband aan tussen hoofddeel 'C' (hoofdstuk 3 : 6 - 8 : 4) en toevoeging 'c' (hoofdstuk 8 : 5-7).
Kortom, 'A' correspondeert met 'a', 'B' met 'b', en 'C' met 'c'. Aldus:
A, 1:1 - 2:7 B, 2:8 - 3:5 C, 3:6 - 8:4
c, 8: 5 - 7 b, 8:8 - 10 a, 8:11 - 12
Nu zijn dit nog maar veronderstellingen, en dus moet de volgende vraag onder ogen gezien worden of dit alles ook bevestiging kan vinden in de inhoudelijke tekst van het Hooglied.
Er zijn inderdaad een aantal aanwijzingen in de tekst te vinden voor de waarschijnlijkheid van bovenstaande veronderstellingen.
We beginnen met 'A' en 'a', 1 : 1 - 2 : 7 en 8 : 11-12.
In 'A' spreekt de bruid over zichzelf als haar eigen onverzorgde wijngaard, en in 'a' is ze de wijngaard van haar bruidegom. Haar in 'A' uitgesproken verlangen naar haar geliefde blijkt aan het slot van dat deel (in 2:4-6) aanvankelijk te worden vervuld. In het daarmee corresponderende 'a' horen we van de volledige vervulling van dat verlangen. Hij vergelijkt daar die vervulling van haar verlangen, de rijkdom daarvan, met de rijkdom van koning Salomo, die daarbij als in het niet verzinkt. De bruidegoms nederige bruid uit 1 : 5-6 overtreft de glorie van Salomo.
Vervolgens 'B' en 'b', 2 : 8 - 3 : 5 en 8 : 8-10.
In 'b' (8:8-10) horen we over de zorg van de broers van de bruid voor de eerbaarheid van hun zus. Zij verklaart dat ze haar eerbaarheid heeft bewaard, tot de tijd kwam om zich als zijn bruid aan haar geliefde over te geven. Dat correspondeert met 'B', waar uit 2:14 blijkt dat zij zich voor hem verscholen houdt als een duif in de rotskloof. Aanleiding daarvoor is dat ze van haar broers in hun wijngaarden moet werken (1:6). Dat blijkt uit hun woorden in vers 15, dat ze de vossen moet gaan vangen die de wijngaard vernielen.
Ten derde 'C' en 'c', 3 : 6 - 8 : 4 en 8 : 5-7
Hier valt op dat 'C' begint in 3:6 met de vraag: "Wie is zij, die daar komt uit de woestijn?", terwijl ook 'c' in 8:5 met dezelfde vraag begint. Daar, in 'c', wordt verteld hoe hun liefde werd gewekt, en wat de kracht van hun liefde is. Nu, over het wekken van hun liefde en wederliefde wordt gezongen in 'C', 4:1-16, en over de kracht van hun liefde (met veel uitweidingen) in 5:2 - 8:3.
Conclusie
Uit het voorgaande kan de conclusie getrokken worden dat het heel waarschijnlijk is dat de schrijver opzettelijk de delen ABC en cba als een chiasma, een kruisstelling geconstrueerd heeft.
Samenvatting van het voorafgaande
Het Hooglied bevat drie bijna gelijkluidende refreinen, elk aan het slot van een onderdeel. Daarmee is het Hooglied verdeeld in de volgende drie delen:
A, 1:1 - 2:7
B, 2:8 - 3:5
C, 3:6 - 8:4
De daaropvolgende toevoeging kan ook weer in drie stukken verdeeld worden, en het opmerkelijke is dat die drie samenvattende en concluderende delen corresponderen met de drie hoofddelen A en B en C.
We noemen
8:5-7 'c'
8:8 - 10 'b'
8:11 - 12 'a'
Nu correspondeert A met 'a', B met 'b', en C met 'c', oftewel Aa, Bb, en Cc.
Deze kruisstelling (of chiasma) komt overeen met de inhoud.
In 'c' wordt gevraagd: wie trekt daar op uit de woestijn? Met een soortgelijke vraag begint C: wie trekt daar op uit de woestijn?
In 'b' vinden we de zorg van de broers voor hun zus; hetzelfde vinden we ook in B, waar de broers haar aan het werk willen houden in de wijngaard inplaats van zich aan een jongen te geven.
Dan, in 'a', vergelijkt de jongen, inmiddels de bruidegom, zijn bruid, zijn 'wijngaard', met Salomo's wijngaard; terwijl in A het meisje zichzelf een 'wijngaard' noemt.
In het slotcouplet, 8:13 en 14, horen we iets van de omgang van de pasgehuwden met elkaar, terwijl de sluiting van hun huwelijk volgens mij beschreven is in 4:16 en 5:1.
Het Hooglied is waarschijnlijk een soort musical om uitgevoerd te worden tijdens een bruiloftsweek.