DICK DE JONG - <B>WIE IS PREDIKER?</B>  


SALOMO ALS WIJZE RECHTER



Deze tekening is van de Italiaanse renaissance-schilder Girolamo da Carpi, die leefde van 1501-1556.




Deze knoop 8 lag voor de hand als een aanknopingspunt bij de vorige knoop, de Predikers beeldspraak over een levende hond en een dode leeuw. Maar zoekend in de knopendoos bleek deze knoop een noot te zijn, en nog wel een hard te kraken noot, gezien de verschillende argumenten en antwoorden ten aanzien van de vraag wie de Prediker eigenlijk is. Het bleek zelfs nodig er 6 voetnoten aan toe te voegen. Sterkte dus toegewenst aan wie ook maar de notenkraker denkt te zijn die niet in de knoop raken zal bij het vaststellen van het antwoord op de vraag,


WIE EIGENLIJK IS DE PREDIKER?



In hoofdstuk 1 vers 1 heeft de Prediker zich aan ons voorgesteld als "de zoon van David, koning te Jeruzalem". Nu wordt er nog al eens gezegd dat met die zoon van David niet Salomo bedoeld kan zijn 1). Want hij zegt in 1 vers 12, "Ik, Prediker, was koning van Israel in Jeruzalem" . Kijk, zegt men dan, maar Salomo was dat tot aan de dag van zijn dood. Maar dan kan hij toch nooit gezegd hebben, "Ik was koning van Israel" 2).

Maar is dat zo? Toen Salomo een aantal jaren koning was kon hij toch best zeggen dat tot die tijd hij koning was over Israël. Jawel, zegt men dan, maar als je nu even verder kijkt, naar vers 16, daar zegt hij, "Ik heb meer en groter wijsheid verworven dan iedereen die voor mij in Jeruzalem heeft geregeerd". Nu, dat kan Salomo toch niet gezegd hebben, want David was toch de enige koning in Jeruzalem voor hem? Maar dan zeg ik weer, is dat werkelijk zo? Je vindt dezelfde manier van spreken, en ook daar gaat het over Salomo, in 1 Kronieken 29 vers 25, waar staat, "de HEER . . . . verleende hem (Salomo) een koninklijke majesteit zoals geen enkele koning van Israël vóór hem had gehad".

Ja, maar zo zeggen weer anderen, want het lijkt er op dat sommigen gewoon Salomo niet willen aanvaarden als de schrijver van dit boek , de taal in dit boek is van een latere tijd. Maar ook dat gaat niet op. Uit het slotwoord in hoofdstuk 12 blijkt dat dit boek later is uitgegeven door iemand anders. Misschien was dat ko ning Hizkia, want uit Spreuken 25 vers 1 weten we dat hij dat met veel van Salomo's spreuken gedaan heeft. Dan kan hij ook de taal gemoderniseerd hebben 3). Daar komt nog bij dat recente ontdekkingen aantonen dat zgn. nieuwe woorden in Prediker in werkelijkheid juist heel oude uitdrukkingen zijn 4).

Ja maar, zeggen sommigen die het niet op willen geven, maar dit boek bevat ideeën en gezegden die je ook vinden kunt in latere geschriften van Griekse en andere buitenlandse filosofen 5). Nu, dat is ook zo, want de Bijbel zelf vertelt ons dat de heidense wijsheid van andere landen was beinvloed door Israël, met name door koning Salomo zelf. Kijk maar naar 1 Koningen 5 vers 14 (NGB-1951-vertaling1 Koningen 4 vers 34). Daar staat, "Uit alle omringende landen kwamen mensen om naar Salomo's wijsheid te luisteren, afgezanten van de koningen die over zijn wijsheid hadden gehoord".

Het is dus echt koning Salomo zelf 6), die zich hier aan ons voorstelt als de Prediker. Als de Prediker ('Qohelet') riep hij de gemeente ('qahal') samen om ze wijsheid te leren, en dat deed hij met name in de tempel, waar later ook de Heer Jezus leerde, en ook Petrus, die volgens Handelingen 3 vers 11 dat zelfs deed "in de zuilengang van Salomo". Het was diezelfde koning Salomo die de tempel gebouwd heeft, en ingewijd, en die toen volgens 1 Koningen 8 aan de vergaderde gemeente er de betekenis van leerde. De Prediker is de man die aan het volk de wijsheid van God leerde waarmee Hij deze wereld schiep en bestuurt, de wijsheid ook waarmee Hij deze prachtige geschapen wereld zo lief heeft gehad dat Hij Zijn enige Zoon er voor geven zou.

De Prediker is de man die de mensen leert dat de betekenis van de tempel ligt in de beloofde Messias, de Christus, en dat ook de offers en de gebeden en de geloften van de mensen in de tempel daaraan hun betekenis ontlenen. De Prediker verkondigt, zoals elke predikant daartoe geroepen is, het verlossende Koningschap van Christus over het hele leven, in alle tijden en in elke situatie. Hij predikt de wijsheid van God in de verlossing van deze ijdele in zichzelf doelloze wereld, en hoe we moeten leven, en wat onze roeping is in deze wereld, hier onder de zon. De eind conclusie waartoe de Prediker gekomen is na zijn onderzoek van alles wat hier op aarde ijdel en vergeefs lijkt te zijn vinden we in het laatste hoofdstuk, 12 vers 13, "Heb ontzag voor God, en leef zijn geboden na".



NOTEN 1) Hugo de Groot (1644) was de eerste uitlegger die definitief de gedachte verdedigde dat het boek niet aan Salomo moet worden toegeschreven. Aldus H C Leupold, Exposition of Ecclesiastes, Baker Bookhouse, Gbrand Rapids. Michigan, 6th printing, 1976, pagina 16.

2) Dr G Ch Aalders, in Commentaar op het Oude Testament, Het Boek De Prediker, J H Kok, Kampen, 1948, pagina 39, schrijft: "Het perfectum kan in dit verband overeenkomstig het Hebreeuwsche taalgebruik alleen maar aanduiden wat naar den tijd in het verleden ligt". Even verder: "de vertaling "ik ben geweest' verdient . . . de voorkeur, omdat de perfecta, die in de volgende verzen gebezigd worden . . . . . alle betrekking hebben op handelingen die reeds in het verleden tot afsluiting gekomen zijn". E W Hengstenberg echter, (in The Limitations of Man's Wisdom, Commentary on the Book of Ecclesiastes, 1977 Reprint by James and Klock Christian Publishing Co, Minneapolis, Minnesdota, pagina's 60/61), hoewel ook hij van mening is dat Salomo niet zelf de auteur is, schrijft niettemin: "Feit is dat het gebruik van het perfectum geen geldig argument is tegen Salomo als de auteur van het boek. . . . . . Het perfectum wordt heel vaak gebruikt bij het aanduiden van een verleden dat zich uitstrekt tot in het heden, en daarom wordt volmaakt terecht in de Berleburger Bible het zo weergegeven: 'ik de prediker ben tot nu toe koning geweest, en ik ben het nog steeds' ".

3) E W Hengstenberg, o.c. pagina 14: "De Talmud geeft aan dat Prediker is één van de vier boeken die door bemiddeling van Hizkia en zijn Schriftgeleerden tot ons zijn gekomen".

4) "De Arameïsmen in Prediker hoeven geen bewijs van een late datering te zijn". "Ze zijn te verwachten in het bijbels Hebreeuws van de 10e eeuw voor Christus, en meer in de loop van de eeuwen daarna . . . . .". En wat het gebruik betreft van de waarschijnlijk twee 'leenwoorden' , pardes en pitgam: "Er zijn aanwijzingen dat oude documenten enigszins gemoderniseerd konden worden door ouderwetse woorden te vervangen", Tyndale Old Testament Commentaries, Michael A Eaton, Ecclesiastes, Inter-Varsity Press, Leicester, England, 1983, pagina's18 en 19.

5) "Er is geen noodzaak om aan te nemen dat de Prediker gebruik maakte van Griekse literatuur", o.c. pagina 21.

6) Er zijn nog wel meer argumenten aangevoerd voor "de hypothese (en meer dan dat kan het niet zijn) . . . dat een redacteur het onderricht van een vereerde wijze presenteert in zijn eigen woorden en stijl". Aldus Michael A Eaton, o.c., pagina's 22 en 23. Het zou echter te ver voeren die hier uitgebreid te noemen. Ik heb bezwaar tegen de hypothese dat iemand anders eeuwen na Salomo's tijd dit boek geschreven zou hebben alsof hij koning Salomo zou zijn maar zich zou verschuilen achter de titel 'de Prediker'.
Ik heb er extra bezwaar tegen vanwege het gebruik van zulke veronderstellingen door de moderne Bijbel-kritiek, bijvoorbeeld als het over Daniels profetieën gaat, of de pastorale brieven van Paulus. Het is waar dat ook de Gereformeerde oudtestamenticus Dr G Ch Aalders deze hypothese aanvaardt en verdedigt, o.c. pagina's 7-10. Maar dezelfde theoloog verwerpt een dergelijke hypothese in zijn Korte Verklaring van het boek Daniel, Tweede Druk, J H Kok, Kampen, 1951, pagina 20.
Want daar schrijft hij aangaande de stelling dat Daniëls profetieën niet door hem, maar veel later door iemand anders op de naam van Daniel geschreven zouden zijn, zoals "wanneer een schrijver in onzen tegenwoordigen ;tijd een geschrift van zijn hand zou opdragen aan een bekend persoon van enige eeuwen geleden; maar dit gaat toch niet op. Want men kan wel zeggen dat men vroeger zulke bedoelingen en opvattingen had, maar daarmee is het nog niet bewezen".
En tenslotte citeer ik nog uit Tyndale New Testamentr Commentaries, Donald Guthrie, The Pastoral Epistles, Eerdmans Publishing Company, Grand Rapids, Michigan, 6th printing, 1974, pagina 52 het volgende: "het kan niet worden ontkend dat een hypothese die de aanname van een pseudoniem auteurschap nodig heeft minder aanvaardbaar is dan een theorie die zonder de toevlucht te nemen tot een pseudoniem auteurschap alle feiten kan verklaren, claims ten aanzien van het auteurschap daarbij inbegrepen".



naar boven
 

 

 
 

 



Title of your page