DICK DE JONG - <B><PRAATJE OVER PREKEN</B>  


Is er in de preek met deze kleine kerkgangster rekening gehouden?



Dit schilderij is gemaakt door de Nederlandse schilder Johannes Albert Neuhuys.
Hij leefde van 1844-1914.
Hij was een van de meest bekende schilders van de Larense School.
Hij sloot vriendschap met bekende schilders uit de Haagse School, zoals Jozef IsraŽls, Anton Mauve, Jacob en Matthijs Maris. Aanvankelijk was hij een historieschilder. Onder invloed van de Hagenezen ging hij later vooral de natuur op het doek brengen.





EEN PRAATJE OVER PREKEN



Deze knoop 06 is eigenlijk maar een drukknoopje, een praatje tussendoor.
Er wordt heel wat gepraat over hoe er gepreekt wordt, bij de koffie na de preek, op visites en bij huisbezoeken, bij preekbespreking op de kerkeraad, en ook in de pers. Dat geeft mij de moed ook een duit in het zakje te doen (om in de kerkdiensten-sfeer te blijven).
Een praatje dus. Niet te geleerd en niet te theoretisch: een praktisch praatje over de praktijk van het preken, over hoe de preek overkomt, hoe ze mensen binnen en buiten de kerk een beeld geeft van wat de kerk met haar boodschap is en wil.

Iik ben nogal eens de klacht tegengekomen dat er te weinig met de kinderen gerekend wordt. Is dat niet wonderlijk? Toen mijn vrouw en ik na een lang verblijf in het buitenland weer hier naar de kerk gingen viel het ons op dat veel predikanten zich uitputten in het speciaal aanspreken van de jongens en meisjes. Wat wordt er dus met ze gerekend! Om van neven-diensten maar niet te spreken. Allemaal voor de kinderen. Mooi toch? Maar hoe staat het met de verkondiging van de verzoening?

In 2 KorintiŽrs 5 vers 19 vertelt Paulus waarin de bediening van de verzoening bestaat. Daarin zijn 7 punten te onderscheiden. We zullen die eens even langs gaan (maar dan wel in de NBG-1951-vertaling).

1. 'God'. Dat God in Christus de wereld met zichzelf verzoenende was. Duidelijk moet uitkomen dat God de eerste is, die altijd het initiatief neemt, en van wie alle dingen afhankelijk zijn.

2. 'In Christus'. God deed en doet zijn verzoeningswerk in Christus. Ieder Bijbel-gedeelte heeft met Christus te maken, en daar moet mee gerekend worden.

3. Dat God in Christus 'verzoenende was'. Hoewel Gods verzoeningswerk in het brengen van Christus' volmaakte offer plaats vond aan het kruis, werd het voorbereid en afgebeeld in het Oude Testament. Dus moet duidelijk blijken waar in de heilsgeschiedenis de tekst ons brengt.

4. God was in Christus 'de wereld' verzoenende. Bij het verlossen van zijn kinderen heeft God zijn hele schepping op het oog. Dit wereldwijde perspectief moet altijd zichtbaar zijn.

5. God was de wereld 'met Zichzelf' verzoenende. Het gaat maar niet om verzoening tussen mensen onderling, maar dat mensen met God verzoend worden. En zo, in het verzoenen van ons (cf vs.18), verzoent God de wereld met Zichzelf.

6. Hoe vindt die verzoening plaats? 'Door hun hun overtredingen niet toe te rekenen'. Het moet duidelijk zijn dat vrede met God alleen verkregen wordt als we erkennen dat we zondaars zijn, onze zonden belijden, en daarvoor vergeving zoeken op grond van het offer van Christus.

7. 'En dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd'. De heilsgeschiedenis gaat nog altijd door; nog handelt God verlossend door middel van ons, zijn kerk met haar ambtsdragers en leden.


Volgens bovengenoemd 7e punt is aan ons het woord der verzoening toevertrouwd. Daarmee bedoelt Paulus in de eerste plaats zichzelf en de andere apostelen, maar via hen is die bediening toevertrouwd aan de apostolische of christelijke kerk. Aan ons dus: niet alleen de dominees, maar de hele gemeente. Ieder die het woord der verzoening spreekt, spreekt met het gezag van Gods Woord. Dat geldt ouders die hun kinderen uit de bijbel vertellen, het meisje dat een inleiding voorleest, de ouderling op huisbezoek, en de gelovige die met zijn buurman praat. Vandaar dat Petrus ons voorhoudt, in 1 Petrus 4:11, "Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt".

Maar het zijn toch de dominees die, zoals de NBV het zo plechtig weergeeft, het woord voeren? Zeker, zij ook. Ook voor hen geldt, en nu volg ik de bondige weergave van de NBG-1951-vertaling maar weer: "spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God". Alleen dan spreken ook zij met het gezag van Gods Woord. Maar vraagt iemand misschien, wat is dan het verschil tussen een Bijbelse inleiding op een studie-club, en een goede preek van de kansel? Het verschil is dat tot de gemeente in haar officiŽle eredienst alleen gepreekt wordt door wie met kerkelijk gezag daartoe geroepen is. Maar wij allemaal moeten het woord der verzoening spreken tot ieder die we er mee bereiken kunnen, terwijl er daarnaast ook bijzondere doelgroepen zijn. Die doelgroepen moeten niet de inhoud van ons spreken beÔnvloeden, maar zijn wel bepalend voor de vorm. Daarin ligt dus ook een verschil tussen een inleiding, en een preek van de kansel.

De doelgroep voor de preek van de kansel is de verbonds-gemeente. Soms hoor ik een omroeper op TV zeggen: dames en heren, jongens en meisjes. Mooi hoor! Hoewel, de ene keer mogen ze hun ouders en ouderen met je en jij en de voornaam aanspreken, en dan worden ze op eens weer op hun plaats gezet als jongens en meisjes, dus nog niet horend bij de dames en heren. Maar hoe is dat in de kerk? Horen ze niet, juist ook in de kerkdiensten, bij de broers en zussen? Ze zijn niet een aparte groep, ze zijn geen 'neven' maar broers en zussen. En wanneer de jongens en meisjes naast de broeders en zusters genoemd worden, dan moet het ook uit de vormgeving van de preek blijken dŗt er nu ook met hen gerekend wordt.

Wanneer de vraag gesteld wordt hoe er moet worden gepreekt is vaak de eerste reactie: het gaat om de inhoud. Dat is waar, maar die inhoud moet wel duidelijk zijn en overkomen via de vorm, zoveel als dat maar mogelijk is. Dat laatste zeg ik er wel bij, want niet ieder heeft de gave om vorm en inhoud harmonisch te doen samengaan. Zelfs Paulus had die gave niet, althans niet naar de smaak van zijn gehoor (zie 1 KorintiŽrs 2 verzen 1-5, 2 KorintiŽrs 10 verzen 1 en 10). De vormgeving is belangrijk, ze is dat echter alleen vanwege de inhoud.

Nu kan het gebeuren dat vanwege een bepaalde doelgroep (bijv. de kinderen, of de jeugd in het algemeen) de vormgeving zo belangrijk wordt dat de inhoud van de verzoening er bij inschiet. Eens hoorde ik een ook voor kinderen boeiende preek over een bedevaartslied, waarin psychologisch heel knap de moeiten en zorgen van de bedevaartgangers toen en de gemeenteleden nu behandeld werden. Maar de tempel, en de dienst der verzoening daar die vooruitwees naar Christus, daarover geen woord!

Het gaat om de inhoud, maar de vorm is wel belangrijk. De preek moet niet de vorm van een verhandeling krijgen, maar wordt wel vaak zo aangediend, en soms ook opgediend. Preken is niet betogen, maar verkondigen van een boodschap, of beter nog, van Hem van wie die boodschap komt. Bijvoorbeeld zo: 'ik verkondig u onze God, die ons de dienst der verzoening heeft toevertrouwd'. Niet altijd, maar wel vaak bepaalt de aankondiging de al of niet verkondiging van de boodschap.


Ik hoop dat dit drukknoopje, dit praatje, bereiken mag, dat er meer en meer gepreekt zal worden in overeenstemming met de bovengenoemde zeven punten uit 2 KorintiŽrs 5 vers 19. De doelgroep van mijn praatje bestaat in de eerste plaats uit mijzelf en mijn collega's predikanten. Maar vervolgens heb ik allen op het oog die iedere zondag naar preken luisteren, en ook hen die, bijv. bij beroepingswerk en kerkelijke examens, geroepen zijn om preken te beoordelen. Gezanten van Christus moeten immers geen praatjes verkopen, maar zo spreken alsof God door hun mond de hoorders namens Christus oproept: laat u met God verzoenen!


Naar boven
 

 

 
 

 



Title of your page