DICK DE JONG - <B>BEVOEGD TOT OORDELEN</B>  


DE SCHEPPING VAN EVA UIT ADAM




Deze kopergravure is nummer drie van een serie van zes van de beroemde Amsterdamse schilder Jan Harmensz Muller, die leefde van 1571-1628. Hij was een leerling van de alombekende en gewaardeerde Hendrik Goltzius, voor wie hij veel werk deed.
Het feit dat Adam eerst is geschapen en Eva uit en na hem heeft konsekwenties voor de plaats van de vrouw tegenover de man en in de gemeente.







Knoop 05: WIE BEVOEGD ZIJN TE OORDELEN OVER PROFETIEËN (1 Korintiërs 14 verzen 29-38)



Onder de nummers 3 en 4 werd ontknoopt hoe zowel mannen als vrouwen de bevoegdheid hebben ontvangen om in het openbaar te profeteren en voor te gaan in de gebeden. Gezien de hedendaagse discussie over de gaven van de Geest zetten we er nog graag een knoop bij aan.

Sinds de Pinksterdag behoort het profeteren tot de roeping van alle gelovigen. Nu was de tijd van de vroege christelijke kerk nog een tijd van overgang. Daarom waren er toen naast de apostelen ook speciale profeten met een bijzondere gave of charisma. Zij ontvingen soms openbaringen van God aangaande bepaalde dingen die gebeuren zouden. Zulke speciale profeten waren er niet alleen in Korinte, maar ook elders (zie bijvoorbeeld Handelingen 21 verzen 8 vv).

Ook lezen we er van hoe dit speciale soort profetie functioneerde bij de verkiezing van ambtsdragers. In Handelingen 9 verzen 10 vv. wordt verteld hoe Ananias in een visioen werd opgedragen aan Saulus bekend te maken dat hij door God benoemd was als apostel onder de heidenen. We lezen in Handelingen 13 verzen 1-4 dat er in Antiochië profeten waren tot wie de Heilige Geest zei: "Stel mij Barnabas en Saulus ter beschikking voor de taak die ik hun heb toebedeeld". In Handelingen 16 verzen 1 vv lezen we over Timoteüs in Lystra, die "goed stond aangeschreven bij de gelovigen in Lystra en Ikonium". Paulus wilde graag dat die hem vergezellen zou. In 1 Timoteüs 1 vers 18 herinnert Paulus hem er aan dat hij zijn opdracht krijgt "op grond van de profetische woorden die destijds over jou zijn uitgesproken".

Uit al deze voorbeelden blijkt dat de verkiezing van ambtsdragers bestond uit een benoeming, die voorafgegaan werd door een profetisch aanwijzen van de te benoemen personen. Soms was dat een aanwijzing op grond van een bijzondere openbaring, maar ook gebeurde het, zoals het nog steeds gebeuren moet, door het reeds bekende Woord van God aangaande de vereisten voor het ambt profetisch toe te passen bij de aanwijzing van geschikte personen.

Kort samenvattend kan gezegd worden dat alle gemeenteleden, zowel mannen als vrouwen, naar die profetische gave en de uitoefening ervan moesten streven. Dat betekent dus ook, om het in woorden van vandaag te zeggen, dat allen, zowel mannen als vrouwen, het stemrecht, of beter de stemplicht, moeten begeren en uitoefenen.

Nu hebben wij inmiddels de volledige openbaring van God ontvangen in de boeken van het Oude en het Nieuwe Testament. Daarom worden wij niet meer opgeroepen om te streven naar die speciale gave van profeteren. Wij worden nu geroepen om te streven naar een zodanige Bijbelkennis dat we allemaal kunnen profeteren tot opbouw van de gemeente, en tot het overtuigen van wie we buitenkerkelijken noemen.



HET OORDELEN OVER BIJZONDERE PROFETISCHE OPENBARINGEN


Wanneer er speciale profetische openbaringen werden doorgegeven of profetische aanwijzingen gegeven werden moesten die getoetst worden. Ze moesten beoordeeld worden op de vraag of ze werkelijk van God kwamen, of ze in overeenstemming waren met Gods reeds geopenbaarde Woord, en verder ook op de vraag hoe er op gehandeld moest worden.

Zo schrijft Paulus in 1 Tessalonicensen 5 verzen 19-21: "Doof de Geest niet uit en veracht de profetieën niet die hij u ingeeft. Onderzoek (of toets) alles, behoud het goede". Vandaar dat de apostel in 1 Korintiërs 14 vers 29 zegt dat de anderen het moeten beoordelen.

Die beoordeling is nodig omdat er in de kerk ook valse profeten kunnen optreden. Zowel de brieven van Paulus als die van Petrus waarschuwen tegen valse profetie. Ook de apostel Johannes waarschuwt er tegen in 1 Johannes 4:1: "Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen". Het is dus geen wonder dat Paulus de gemeenteleden in Korinte opdraagt te beoordelen wat er geprofeteerd wordt.

Maar er is ook nog een tweede reden. Als men na toetsing van wat gezegd is mag concluderen dat de profetie inderdaad van God zelf komt en met Zijn geopenbaarde Woord overeenstemt, moet de vraag overwogen worden hoe nu op die profetie te handelen. Het boek Handelingen bevat daar verschillende voorbeelden van.



WIE TOT BESLISSEN EN BESLUITEN BEVOEGD ZIJN


Er moeten dus beslissingen worden genomen, en die beslissingen moeten worden uitgevoerd. Daarmee komen we tot de vraag met wat voor bevoegdheid het beoordelen van wat geprofeteerd is plaats vindt.

In vers 32 schrijft Paulus (en ik volg hier de NBG-1951-vertaling die het Grieks letterlijk overzet), dat "de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen". Het is uiteraard onmogelijk dat Paulus hier bedoelen zou dat de Heilige Geest aan de profeten onderworpen is. Hier moeten andere geesten bedoeld zijn, namelijk die waarvan Johannes in 1 Johannes 4 vers 1 heeft gezegd in hetzelfde verband van beoordelen: "vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt". En Paulus zegt iets dergelijks in 12 vers 10, dat sommigen de gave ontvangen van (en weer moet ik hier de NGB-1951-vertaling volgen) "het onderscheiden van geesten".

Nu heeft Paulus in hoofdstuk 11 in verband met het profeteren gesproken over de engelen (zie daarover de knopen 3 en 4), en daar knoopt hij nu bij aan. De hier bedoelde geesten zijn de engelen, die volgens Hebreeën 1 vers 14 als dienende geesten worden uitgezonden om de gelovigen bij te staan. Hebreeën 2 (met name de verzen 5-9) zegt dat in Christus alles aan de mensen onderworpen is, de engelen inbegrepen. Paulus heeft dat ook gezegd, in 1 Korintiërs 6 vers 3, toen hij aan de gemeenteleden in Korinte vroeg: "Weet u niet dat wij over engelen zullen oordelen?"

De andere profeten moeten dus beoordelen of de engelen, de geesten die openbaringen gegeven hebben, inderdaad engelen van God zijn, en niet engelen van Satan. En ook moeten zij beslissen hoe er op gehandeld moet worden. Het is in dit verband, in het daarop direct volgende vers 34, dat de apostel het nodig vindt te herinneren aan de in alle gemeenten der heiligen geldende regel, dat "vrouwen gedurende uw samenkomsten moeten zwijgen, . . . zoals ook in de wet staat". Het is dus een regel die God zelf in de wet gegeven heeft. Uit andere plaatsen in Paulus' brieven is duidelijk waarnaar hij verwijst: het is de regel van het begin, dat de man eerst geschapen is, tot wie God dan ook zonder tussenpersoon zijn Woord sprak, en die daarom de heerlijkheid van God weerspiegelt. En de vrouw, die na en uit de man gemaakt is, mag diens heerlijkheid weerspiege- len, omdat God zijn Woord tot haar sprak via de man en in verband met hem.

Vandaar ook dat Paulus in vers 36 tot die dames in Korinte die kennelijk wilden optreden alsof ze mannen waren zegt (en weer volg ik hier de letterlijke weergave zoals die in het Grieks gevonden wordt): Wat? "Is het Woord van God bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?", dat is, bij u begonnen, los van de man, of tot u gekomen, onafhankelijk van de man? 1)

Daarop is maar één antwoord mogelijk: nee! God sprak eerst tot Adam, en Adam leerde Eva wat God van hen wilde. Eva onderrichtte Adam niet, maar Adam onderrichtte Eva. En toen God na de zondeval ook tot Eva sprak, bereikte het haar niet los van Adam, maar samen met hem. Het was juist haar zonde geweest dat ze zelf de woorden van de gevallen engel ging beoordelen, in plaats dat ze eerst Adam daartoe de gelegenheid liet. Zo liet ze zich verleiden, en leerde ze Adam haar verkeerde beoordeling te volgen.

Het is dus op grond van de wet, de thora in Genesis 2 en 3, dat Paulus ook in 1 Timoteüs 2 verzen 12-14 zegt: "Ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft . . . . Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod".

Uiteraard neemt Paulus hier niet terug wat hij eerder in hoofdstuk 11 gezegd heeft. Wat de apostel verbiedt is niet het profeteren, maar het zo onderrichten dat het een beslissend karakter heeft, waardoor de vrouw gezag over de man zou uitoefenen.

Maar waarom brengt Paulus hier dit verschil tussen profeteren wat de vrouw mag, en met gezag onderrichten wat ze niet mag, ter sprake? De reden is dat het nu gaat over het beoordelen van de profetie. Dat beoordelen heeft namelijk hetzelfde karakter als met gezag onderrichten. Er moeten beslissingen genomen worden. Van engelen moet beoordeeld worden, of ze door God gezonden geesten zijn of engelen van satan. Er moet besloten worden wat sommigen, onder wie mannen, doen moeten. Als het bijvoorbeeld gaat over mannen die gestemd of aangewezen zijn als mogelijke ambtsdragers moet over hun benoeming beslist worden, en ook moeten ze bevestigd en eventueel uitgezonden worden. Het is duidelijk dat als vrouwen ook daaraan zouden deelnemen ze ook over engelen zouden oordelen, en dat ze eventueel ook mannen in de gemeente zouden oordelen en onderrichten en zo ook regeren zouden. Nu, zegt Paulus hier, zulk spreken van de vrouw in de gemeente zou lelijk staan, zou ongepast zijn.

Vrouwen mogen wel profeteren in de kerk, maar niet regeren. Ze mogen wel predikanten en ouderlingen aanwijzen, door aanbeveling en door hun stem uit te brengen, als deel van hun profetische roeping; maar ze mogen niet beslissen, en dus niet zelf tot het leer- en regeer-ambt gekozen worden. En dat is maar niet zo omdat een zekere Paulus het zegt, of omdat het zo in de kerkorde staat, maar omdat God het zo heeft gewild, en ook vandaag nog zo wil.

In de kerk ontvangen mannen en vrouwen weer hun eigen bij hen passende plaats. Ze zijn mede-erfgenamen van het eeuwige leven, terwijl ze tegelijk hun eigen plaats en roeping hebben in Gods verbond. Dit is de blijde boodschap van het Evangelie die mannen en vrouwen verlost en vrij maakt.


NOOT 1) De gangbare uitleg (door de NBV ook ingelezen in de tekst) is dat volgens Paulus het Woord van God niet in Korinte begonnen is, en niet alleen de Korintiërs heeft bereikt. Maar de contekst bevat geen enkele aanwijzing in die richting. Wel is de contekst nog steeds het verschil tussen man en vrouw, gegrond op het feit dat Gods Woord eerst kwam tot Adam, bij hem begonnen is, en via Adam Eva bereikte.


Naar boven
 

 

 
 

 



Title of your page